ECLI:NL:CRVB:2005:AU8870
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling gedifferentieerde WAO-premie en eerste arbeidsongeschiktheidsdag
De zaak betreft een geschil tussen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) en een werkgever over de vaststelling van de gedifferentieerde WAO-premie voor het jaar 2002. De werkgever maakte bezwaar tegen het premiebesluit van 26 november 2001, waarbij de premie werd vastgesteld op 7,61%. De rechtbank had het bezwaar gegrond verklaard en het besluit vernietigd, omdat onvoldoende was onderzocht of de ex-werknemer al arbeidsongeschikt was bij aanvang van de dienstbetrekking.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het bezwaar van de werkgever tegen de vaststelling van de gedifferentieerde WAO-premie niet kan worden gebaseerd op de grief dat de WAO-uitkeringen onjuist zijn vastgesteld. De vaststelling van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag is een essentieel onderdeel van de WAO-beslissing en kan niet opnieuw ter discussie worden gesteld in de premiedifferentiatieprocedure.
De Raad vernietigt het oordeel van de rechtbank voor zover dit betrekking heeft op het premiebesluit van 20 juni 2002 en verklaart het beroep tegen dit besluit ongegrond. Hiermee wordt bevestigd dat geschillen over de eerste arbeidsongeschiktheidsdag uitsluitend in de procedure over de uitkering zelf kunnen worden behandeld, niet in de procedure over de gedifferentieerde premie.
Uitkomst: Het beroep tegen het premiebesluit wordt ongegrond verklaard en het oordeel van de rechtbank vernietigd.