ECLI:NL:CRVB:2006:AX9268
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Vaststelling gedifferentieerde WAO-premie en eerste arbeidsongeschiktheidsdag
Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, stelde voor 2000 een gedifferentieerde WAO-premie vast voor betrokkene. Betrokkene maakte bezwaar tegen de premie, omdat zij meende dat de WAO-uitkering aan een ex-werknemer niet voor haar rekening kwam, omdat de werknemer zich met terugwerkende kracht ziek had gemeld na ontbinding van de arbeidsovereenkomst.
De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en vernietigde het besluit tot vaststelling van de premie. Appellant ging in hoger beroep. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat volgens artikel 87e van de WAO de eerste arbeidsongeschiktheidsdag niet ter discussie kan staan in een premiebesluitprocedure, tenzij het besluit tot toekenning van de WAO-uitkering vóór 1 januari 1998 is genomen, wat hier niet het geval was.
De Raad oordeelde dat betrokkene zich in een procedure over de WAO-uitkering moet wenden tot appellant voor een premievermindering indien de eerste arbeidsongeschiktheidsdag onjuist blijkt te zijn vastgesteld. Het hoger beroep van appellant werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van betrokkene ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit gehandhaafd.