ECLI:NL:CRVB:2005:AU9006
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- R.H.M. Roelofs
- W.I. Degeling
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening ouderdomspensioen wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving vanaf 1 december 1992 een ouderdomspensioen volgens de norm voor een ongehuwde pensioengerechtigde. Na melding van samenwoning met haar partner startte de Sociale verzekeringsbank een onderzoek, waaronder huisbezoeken en buurtonderzoek. Op basis hiervan werd het pensioen per 1 april 1996 herzien naar de gehuwdennorm.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellante tegen deze herziening ongegrond. In hoger beroep stond de Centrale Raad van Beroep voor de vraag of appellante en haar partner van 1 april 1996 tot 1 juli 2004 een gezamenlijke huishouding voerden. De Raad beoordeelde dit aan de hand van de AOW-bepalingen die in die periode golden, waarbij het begrip gezamenlijke huishouding per 2 januari 1998 werd gewijzigd.
Voor de periode tot 2 januari 1998 concludeerde de Raad dat aan de criteria voor gezamenlijke huishouding was voldaan, mede gelet op het onderzoek van de sociale recherche. Voor de periode daarna gold een vergelijkbare norm, waarbij ook het zorgcriterium werd bevestigd. De Raad oordeelde dat appellante geen recht had op een ongehuwd pensioen vanaf 1 april 1996 en dat de herziening terecht was. Ook de voortzetting van het gehuwdenpensioen na het bereiken van de 65-jarige leeftijd van de partner werd bevestigd.
De Raad zag geen dringende redenen om van de herziening af te zien en wees de hoger beroepen af. De aangevallen uitspraken werden bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van het ouderdomspensioen wegens gezamenlijke huishouding vanaf 1 april 1996.