ECLI:NL:CRVB:2005:AU9011
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- R.H.M. Roelofs
- W.I. Degeling
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening Anw-uitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellant ontving een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw) die werd herzien nadat was vastgesteld dat hij vanaf 1 juli 1996 een gezamenlijke huishouding voerde met een partner. De Sociale verzekeringsbank herzag de uitkering met ingang van 1 januari 1998 naar 30% van het minimumloon. Appellant maakte bezwaar tegen deze herziening, maar dit werd door de rechtbank en vervolgens door de Centrale Raad van Beroep ongegrond verklaard.
De Raad oordeelde dat er voldoende bewijs was dat appellant en zijn partner hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden en zorg droegen voor elkaar, wat voldoet aan de definitie van een gezamenlijke huishouding volgens de Anw. De stelling van appellant dat hij als hulpbehoevende moest worden aangemerkt en daardoor recht had op een volledige Anw-uitkering, werd verworpen omdat hij in de relevante periode zelfstandig zijn dagelijkse activiteiten kon verrichten en niet was geïndiceerd voor opname in een AWBZ-instelling.
Ook de toekenning van een AOW-pensioen aan appellant werd bevestigd, waarbij de Raad benadrukte dat de gezamenlijke huishouding ook voor de AOW-definitie van toepassing was. De Raad zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en bevestigde de eerdere uitspraken van de rechtbank.
Uitkomst: De herziening van de Anw-uitkering wegens gezamenlijke huishouding wordt bevestigd en het hoger beroep van appellant wordt afgewezen.