Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2005:AU9520

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 december 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/6529 + 6530 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 BeroepswetArt. 8:55 AwbArt. 6:5 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzetschrift wegens ontbreken gronden in hoger beroep WAO

De Centrale Raad van Beroep behandelde het hoger beroep van opposante tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam inzake WAO-zaken. De Raad had het hoger beroep eerder niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet was betaald. Vervolgens diende opposante een voorlopig verzetschrift in, maar dit bevatte geen gronden.

De Raad stelde opposante in de gelegenheid om alsnog de gronden van het verzet binnen een termijn van twee weken in te dienen, maar deze termijn werd niet benut. De Raad oordeelde dat het verzetschrift daarom niet-ontvankelijk verklaard moest worden op grond van artikel 8:55 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

De uitspraak waartegen het verzet was gericht bleef daarmee in stand. Er waren geen omstandigheden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 Awb Pro. De beslissing werd uitgesproken door voorzitter J. Janssen en leden G.J.H. Doornewaard en J. Brand op 23 december 2005.

Uitkomst: Het verzetschrift wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden.

Uitspraak

04/6529 + 6530 WAO
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van Pro de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in het geding tussen:
[opposante], wonende te [woonplaats], opposante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, geopposeerde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
De Raad heeft bij uitspraak van 22 maart 2005 het namens opposante ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 oktober 2004, nummers AWB 02/2788 WAO en 02/2934 WAO, niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het griffierecht niet is betaald.
Tegen die uitspraak heeft mr. C. de Wolf, advocaat te Amsterdam, namens opposante een voorlopig verzetschrift ingediend, gedateerd 10 mei 2005.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad gehouden op 11 november 2005, waar beide partijen - geopposeerde met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
In het, op grond van artikel 8:55, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), van overeenkomstige toepassing verklaarde artikel 6:5 van Pro de Awb is bepaald dat een verzetschrift de gronden van het verzet dient te bevatten.
Het ingediende verzetschrift bevat echter geen gronden.
Bij schrijven van 13 mei 2005 is de gemachtigde van opposante uitgenodigd de gronden waarop het verzet berust binnen vier weken in te dienen.
Hij heeft deze termijn ongebruikt laten voorbijgaan.
Bij aangetekend schrijven van 13 juni 2005 is aan de gemachtigde van opposante nogmaals de gelegenheid geboden de verzetsgronden in te dienen. Daarbij is een termijn van twee weken gesteld en is erop gewezen dat bij overschrijding van die termijn er rekening mee moet worden gehouden dat het verzet niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
De gemachtigde van opposant heeft ook deze termijn ongebruikt laten voorbijgaan.
Onder de gegeven omstandigheden ziet de Raad voldoende aanleiding om het verzet met toepassing van artikel 8:55, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Awb niet-ontvankelijk te verklaren. Gelet op artikel 8:55, zesde lid, van de Awb blijft de uitspraak waartegen verzet was gedaan in stand.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het verzet niet-ontvankelijk.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. G.J.H. Doornewaard en mr. J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van mr. N.E. Nijdam als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 december 2005.
(get.) J. Janssen.
(get.) N.E. Nijdam.