ECLI:NL:CRVB:2006:AU8991

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 januari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05-3504 NABW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 18 Beroepswet
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdverklaring hoger beroep tegen uitspraak rechtbank op grond van artikel 8:55 Awb

Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Zutphen waarbij op zijn verzet tegen een uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 Awb Pro was beslist. De Raad overwoog dat ingevolge artikel 18, tweede lid, aanhef en onder b, van de Beroepswet geen hoger beroep mogelijk is tegen uitspraken van rechtbanken als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, Awb.

De Raad erkent een uitzondering op dit verbod indien sprake is van een evidente schending van eisen van een goede procesorde of fundamentele rechtsbeginselen waardoor geen eerlijk proces heeft plaatsgevonden. In deze zaak oordeelde de Raad echter dat die uitzondering niet van toepassing is.

Daarom verklaarde de Centrale Raad van Beroep zich onbevoegd het hoger beroep te behandelen. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door mr. C. van Viegen in aanwezigheid van griffier M. Pijper op 3 januari 2006.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd het hoger beroep te behandelen wegens het ontbreken van een wettelijke grond voor hoger beroep.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
05/3504 NABW
U I T S P R A A K
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn, gedaagde.
I. INLEIDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 18 april 2005, reg.nr. 02/441 NABW, waarbij met toepassing van artikel 8:55 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is beslist op zijn verzet tegen een uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro die wet.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 22 november 2005, waar partijen - gedaagde met voorafgaand bericht daarvan - niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Ingevolge artikel 18, tweede lid, aanhef en onder b, van de Beroepswet kan geen hoger beroep worden ingesteld tegen een uitspraak van een rechtbank als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Awb. De aangevallen uitspraak betreft een dergelijke uitspraak en is derhalve volgens het toepasselijke procesrecht niet vatbaar voor hoger beroep.
Voor kennisneming van een appèl in weerwil van deze bepaling kan naar vaste rechtspraak echter grond bestaan, indien sprake is van een evidente schending van eisen van een goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen, zodanig dat van een eerlijk proces geen sprake is. De Raad is van oordeel dat deze uitzondering zich hier niet voordoet. Hij dient zich dan ook onbevoegd te verklaren.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart zich onbevoegd.
Aldus gegeven door mr. C. van Viegen, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2006.
(get.) C. van Viegen.
(get.) M. Pijper.