ECLI:NL:CRVB:2006:AU9092
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Beoordeling of brief als besluit in de zin van de Awb moet worden aangemerkt in WAO-uitkeringsgeschil
Gedaagde, een afdelingssecretaresse, meldde zich ziek en werd onderzocht in het kader van de WAO. Na verschillende medische rapporten en brieven over toegenomen arbeidsongeschiktheid, oordeelde de rechtbank dat een brief van 19 februari 2002 als een nieuwe aanvraag moest worden gezien en dat het besluit van 10 mei 2002 een afwijzing daarvan was, dus een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb Pro.
De Centrale Raad van Beroep vernietigt deze uitspraak en stelt dat de brief van 10 mei 2002 geen zelfstandig besluit is, maar een reactie op eerdere meldingen en besluiten. De Raad benadrukt dat de uitkering en beslissingen over arbeidsongeschiktheid al waren vastgesteld en dat de brief geen nieuw rechtsgevolg beoogde.
De Raad verklaart het bezwaar van gedaagde tegen de brief van 10 mei 2002 terecht niet-ontvankelijk en stelt dat appellant nog een besluit moet nemen op het verzoek van gedaagde om toepassing van artikel 43a van de WAO. Er zijn geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.