ECLI:NL:CRVB:2006:AU9196
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- J.N.A. Bootsma
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens verzwegen gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds 1983 met onderbrekingen bijstand en werd in 2002 gestopt vanwege werkaanvaarding. Gedaagde vermoedde dat appellante met haar partner een gezamenlijke huishouding voerde en startte een onderzoek met huisbezoek, getuigenverklaringen en verklaringen van appellante en haar partner.
De Raad concludeerde dat vanaf 1 juli 1997 sprake was van een gezamenlijke huishouding, waarbij appellante haar inlichtingenverplichting schond door dit niet te melden. De verklaringen van appellante en haar partner werden als betrouwbaar beoordeeld, ondanks dat de partner geen beëdigde tolk had en de verklaringen niet ondertekend waren.
De Raad verwierp de stellingen van appellante over onjuiste verklaringen en onvoldoende bewijs van verblijf van haar partner in Duitsland. De persoonlijke bezittingen en het samenleven in de woning bevestigden de gezamenlijke huishouding.
De intrekking van de bijstandsuitkering over de periode 1 juli 1997 tot 1 november 2002 en de terugvordering van € 35.143,96 werden als terecht beoordeeld. Er waren geen dringende redenen om van intrekking of terugvordering af te zien. De Raad bevestigde daarom het bestreden vonnis.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering wegens het verzwegen voeren van een gezamenlijke huishouding.