ECLI:NL:CRVB:2006:AU9448
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Beoordeling gezagsverhouding en privaatrechtelijke dienstbetrekking bij aandeelhouders zonder statutair directeurschap
In deze zaak stond centraal of twee personen, elk houders van 20% van de aandelen in een vennootschap en geen statutair directeur, onder een gezagsverhouding vielen die duidde op een privaatrechtelijke dienstbetrekking.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het feit dat zij geen statutair directeur waren en slechts een minderheidsaandeel hielden, niet uitsloot dat zij onder het gezag van het bestuur stonden. Dit gezag was relevant voor de kwalificatie van hun arbeidsrelatie.
De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank dat er geen sprake was van gezamenlijk ondernemerschap, mede omdat zij niet de doorslaggevende invloed hadden op hun ontslag en geen bestuursfunctie bekleedden.
Ook werd het standpunt van appellante verworpen dat bijzondere omstandigheden de dienstbetrekking uitsloten. De intentieverklaring waarin werd gesproken over indiensttreding en het feit dat één van hen reeds werknemer was, ondersteunden de aanwezigheid van een gezagsverhouding.
De Raad wees verder op het feit dat een rapport van de relatiebeheerder van de gedaagde instantie, waarin werd gesteld dat geen dienstbetrekking bestond, niet bindend was voor de beoordeling. De aangevallen uitspraak werd dan ook bevestigd zonder toekenning van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de twee aandeelhouders zonder statutair directeurschap onder het gezag van het bestuur stonden en dus een privaatrechtelijke dienstbetrekking hadden.