ECLI:NL:CRVB:2006:AU9626
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- A. Beuker-Tilstra
- R. Kooper
- Rechtspraak.nl
Beoordeling schadevergoeding na dienstongeval politieambtenaar
Appellant, werkzaam als groepschef, liep bij een aanhouding op 21 mei 2000 een gebroken wijsvinger op, erkend als dienstongeval. Na een eerdere gedeeltelijke toekenning van smartengeld en afwijzing van materiële schade, stelde appellant hoger beroep in tegen de weigering tot verdere immateriële schadevergoeding.
De rechtbank vernietigde het eerdere besluit deels en bepaalde dat een nieuw besluit moest worden genomen. Gedaagde handhaafde echter de weigering met nadere motivering, stellende dat appellant voldoende was opgeleid en getraind via verplichte politieopleidingen en dat er geen speciale protocollen voor de situatie bestonden.
De Raad oordeelde dat appellant als leidinggevende de risico’s goed kon inschatten en dat gedaagde aan zijn verplichtingen had voldaan. Verder werd geoordeeld dat de vergoeding van €350,- uit coulance was gegeven en geen recht op meer bestond. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het besluit van 3 juni 2005 bevestigd.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen de weigering tot verdere immateriële schadevergoeding wordt ongegrond verklaard.