ECLI:NL:CRVB:2006:AU9776
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- G. van der Wiel
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening arbeidsongeschiktheidsuitkering zelfstandige op grond van inkomsten uit arbeid
Appellant betwistte de herziening van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAZ) per 1 januari 2000, die was gebaseerd op inkomsten uit arbeid, waaronder winst uit een vennootschap onder firma. De rechtbank had het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad overwoog dat de inkomsten uit arbeid beslissend zijn, zoals door appellant zelf opgegeven en door de belastingdienst aanvaard. De stelling van appellant dat de winst slechts voor 30% aan hem toegerekend mocht worden, werd verworpen. Ook het beroep op gezondheidsklachten die tot minder werken leidden, werd niet bewezen. De Raad vond geen sprake van willekeur, omdat het besluit in overeenstemming met de regelgeving was genomen.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Tevens werd geen aanleiding gezien om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De herziening van de uitkering naar een lagere mate van arbeidsongeschiktheid werd als juist beoordeeld, mede gelet op de feitelijke schatting van de arbeidsongeschiktheid en de relevante wettelijke bepalingen.
Uitkomst: De herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op basis van inkomsten uit arbeid wordt bevestigd en het hoger beroep van appellant wordt afgewezen.