Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep wordt bij de beoordeling van een verzoek om veroordeling tot vergoeding van gestelde geleden schade als gevolg van een vernietigd besluit zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht.
In het civiele recht geldt dat voor vergoeding slechts in aanmerking komt schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de aangesprokene berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als gevolg van dat besluit kan worden toegerekend. Bij de beoordeling of toegerekend moet worden, acht de Raad ook de aard en strekking van het vernietigde besluit een relevante factor.
In het onderhavige geval is de rechtbank van oordeel dat de inkomstenderving die volgens eiser heeft geleid tot de huisuitzetting in juni 1997 en de daarmee gepaard gaande vermogensschade vooral voortvloeit uit de omstandigheid dat eisers werkgever vanaf 21 maart 1994 geen loon heeft doorbetaald, hoewel de arbeidsovereenkomst heeft voortgeduurd tot oktober 1998. Voorts is voor bet ontstaan van de gestelde schade bepalend dat eiser pas in 1998 een loonvordering tegen zijn werkgever heeft ingesteld. In de omstandigheid dat aan de niet doorbetaling van loon een verschil van mening ten grondslag lag tussen eiser en zijn werkgever over eisers geschiktheid tot werken, acht de rechtbank onvoldoende grond gelegen voor het oordeel dat de gevolgen van het door de werkgever ingenomen standpunt dienen te worden toegerekend aan verweerders besluit van 30 maart 1994.
Immers, het vernietigde besluit ziet naar zijn aard en strekking slechts op eisers aanspraak op uitkering krachtens de ZW. Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep komt aan dat besluit geen relevante betekenis toe voor de financiële gevolgen van door eiser en zijn werkgever in het kader van hun arbeidsrechtelijke relatie genomen beslissingen.
Daar komt bij dat de inkomstenderving die het gevolg is van de weigering ZW-uitkering zich slechts uitstrekt over de periode van 21 maart 1994 tot en met 4 december 1994. Dat de huisuitzetting en de daarmee gepaard gaande vermogensschade het gevolg is van deze beperkte periode van (gedeeltelijk door de bijstand gecompenseerde) inkomstenderving acht de rechtbank ook overigens onvoldoende aannemelijk gemaakt.
Omtrent de geclaimde pensioenschade en het toekomstig loonverlies als gevolge van het verlies van eisers baan bij zijn werkgever [naam werkgever] overweegt de rechtbank dat die schade een uitvloeisel is van het feit dat eiser arbeidsongeschikt is geworden en van de nadere invulling die eiser en zijn werkgever aan die situatie hebben gegeven. De rechtbank ziet onvoldoende reden voor het aannemen van causaal verband tussen toekomstige inkomensachteruitgang en de vernietigde ZW-weigering, die, zoals gezegd, een in tijd beperkte werking heeft.
De rechtbank ziet tenslotte evenmin aanleiding voor gegrondverklaring van het bezwaar dat verweerder ten onrechte heeft geweigerd immateriële schade te vergoeden die eiser zegt als gevolg van het bestreden besluit te hebben geleden.
Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat eiser door de beëindiging van de ZW-uitkering in zijn persoon is aangetast, zoals bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het BW. Niet genoegzaam is gesteld of gebleken dat eiser psychisch letsel heeft opgelopen als toerekenbaar gevolg van het onrechtmatig genomen besluit."