ECLI:NL:CRVB:2006:AV0578

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 januari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05-88 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Termijnoverschrijding herstel verzuim in WAO-uitkeringsprocedure niet verschoonbaar

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam waarin het bezwaar tegen een WAO-uitkeringsbesluit niet-ontvankelijk werd verklaard vanwege het niet tijdig herstellen van verzuimen. De Raad overwoog dat appellante zijn verzuimen niet binnen de gestelde termijn heeft hersteld, maar een dag te laat. Deze vertraging was het gevolg van een fout van de voormalig administrateur van appellante, maar appellante erkende dat dit voor zijn rekening en risico komt.

De Raad sloot zich aan bij de rechtbank dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is en dat de wet geen ruimte biedt voor een belangenafweging zoals voorgesteld door appellante. Het hoger beroep werd daarom verworpen. De Raad zag geen gronden om artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht toe te passen.

Het bestreden besluit van 21 juni 2002, waarin het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk werd verklaard wegens het niet tijdig herstellen van verzuimen, werd bevestigd. De uitspraak werd gedaan door de Centrale Raad van Beroep op 17 januari 2006.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bezwaar blijft niet-ontvankelijk wegens niet tijdig herstel van verzuimen.

Uitspraak

05/88 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellante heeft op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Amsterdam op 17 november 2004 tussen partijen gegeven uitspraak (reg.nr. AWB 02/3253 WAO), waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 4 oktober 2005, waar appellante niet is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen mr. E.F. de Roy van Zuijdewijn, werkzaam bij het Uwv.
Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.
Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad op 6 december 2005. Voor appellante is daar verschenen [directeur], directeur van appellante, terwijl gedaagde - met voorafgaand bericht - zich niet heeft laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Gedaagde heeft bij besluit van 25 maart 2002 met ingang van 21 januari 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend aan [werkneemster], een werkneemster van appellante. Bij besluit van 21 juni 2002 (het bestreden besluit) heeft gedaagde het bezwaar van appellante tegen de beslissing van
25 maart 2002 niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift van appellante niet aan een aantal wettelijke eisen voldeed en appellante die verzuimen niet heeft hersteld binnen de termijn die hem daarvoor was gegeven.
De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat bij toekenning van de WAO-uitkering aan zijn werkneemster een aantal cruciale fouten zijn gemaakt die belangrijker zijn dan het feit dat hij een dag te laat zijn verzuimen heeft hersteld.
De Raad overweegt als volgt.
Tussen partijen is niet in geschil en de Raad sluit zich daarbij aan dat appellante zijn verzuimen niet heeft hersteld binnen de daarvoor gegeven termijn, maar een dag later. De oorzaak hiervan is gelegen in een fout van de voormalig administrateur van appellante. Appellante erkent dat het handelen en nalaten van zijn administrateur voor zijn rekening en risico komen.
Gelet op voorgaande overwegingen is de Raad met de rechtbank van oordeel dat gedaagde terecht de termijnoverschrijding niet verschoonbaar heeft geacht. Voor een belangenafweging zoals door appellante voorgestaan biedt de wet geen aanknopings-punten. Het hoger beroep slaagt niet.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. M.C. Bruning en prof. mr. F.A.M. Stroink als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2006.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.
MH