ECLI:NL:CRVB:2006:AV0669
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- G.J.H. Doornewaard
- J. Brand
- Rechtspraak.nl
Vaststelling mate arbeidsongeschiktheid en rechtszekerheidsbeginsel bij WAO-uitkering
De zaak betreft een geschil over de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van gedaagde, die sinds 22 januari 1998 wegens psychische klachten niet meer kon werken als kok. Appellant, het UWV, had besluiten genomen waarbij een uitkering werd toegekend met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 25-35% per 21 januari 1999 en een herziening naar 35-45% per 22 maart 2000.
De rechtbank had het beroep van gedaagde gegrond verklaard en het besluit vernietigd, waarbij zij een uitkering van 80-100% arbeidsongeschiktheid toekende met ingang van 21 januari 1999. Tevens werd appellant veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad oordeelt dat de rechtbank buiten de grenzen van het geding is getreden door de mate van arbeidsongeschiktheid anders vast te stellen dan aan de orde was gesteld. De Raad vernietigt daarom het vonnis en verwijst de zaak terug naar de rechtbank voor beantwoording van de vraag of appellant de mate van arbeidsongeschiktheid op de genoemde data juist heeft vastgesteld.
Daarnaast bespreekt de Raad het rechtszekerheidsbeginsel en de beslistermijn. De Raad stelt dat deze niet van openbare orde zijn en dat de rechtbank deze niet in haar oordeel had mogen betrekken. Gedaagde heeft immers geen beroep gedaan op overschrijding van de beslistermijn of het rechtszekerheidsbeginsel. De zaak wordt derhalve terugverwezen voor een inhoudelijke beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid.
Uitkomst: De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor beoordeling van de juiste vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid.