ECLI:NL:CRVB:2006:AV0704
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- G.J.H. Doornewaard
- J. Brand
- Rechtspraak.nl
Herziening WAO-uitkering na medische beoordeling en geschiktheid functies
Appellante, werkzaam als administratief medewerkster, viel in 1993 uit wegens rug- en knieklachten en ontving een WAO-uitkering berekend op een arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Na een medische herbeoordeling in 2001 stelde het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) de mate van arbeidsongeschiktheid bij naar 15 tot 25%, wat leidde tot een verlaging van haar uitkering. Appellante maakte bezwaar en stelde dat de medische onderbouwing onvoldoende was en dat zij niet akkoord ging met het wegvallen van de urenbeperking.
De Raad oordeelde dat de medische grondslag van het besluit juist was en dat appellante in staat werd geacht de voorgehouden functies te vervullen. De Raad verwierp het bezwaar dat sprake was van onrechtmatige bijduiding van functies en bevestigde dat de uitkering volgens de wet herzien kon worden bij gewijzigde omstandigheden. Het beroep tegen het besluit van 4 oktober 2005 werd ongegrond verklaard, maar het beroep tegen het eerdere besluit van 27 november 2001 werd gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.
Daarnaast werd appellante een vergoeding toegekend voor de wettelijke rente over de na te betalen uitkering en werden de proceskosten van €483,- en het griffierecht van €87,- aan appellante vergoed. De Raad stelde vast dat de verlaging van de uitkering rechtmatig was en dat het beginsel van rechtszekerheid niet in de weg stond aan de herziening.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 4 oktober 2005 wordt ongegrond verklaard en de herziening van de WAO-uitkering bevestigd.