Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2006:AV0936

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 januari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/5687 WSF
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.14 WSF 2000Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing studiefinanciering voor opleiding Bedrijfseconomie aan Universiteit van Aruba

Appellant verzocht om studiefinanciering voor de opleiding Bedrijfseconomie aan de Universiteit van Aruba. Dit verzoek werd op 11 augustus 2004 door de Informatie Beheer Groep afgewezen omdat vanaf 1 september 2004 geen recht meer bestaat op studiefinanciering voor deze opleiding.

Appellant maakte bezwaar tegen deze beslissing, maar dit bezwaar werd op 12 augustus 2004 ongegrond verklaard. Vervolgens werd het beroep bij de rechtbank Assen ongegrond verklaard en werd het verzoek tot voorlopige voorziening afgewezen. Appellant stelde hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.

De voorzieningenrechter had geoordeeld dat de beleidsregel die de gelijkstelling met buitenlandse opleidingen regelde per 1 september 2004 verviel, waardoor er geen recht meer was op studiefinanciering. Het beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen omdat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hem ongeclausuleerde toezeggingen waren gedaan. De Centrale Raad van Beroep kon zich vinden in deze overwegingen en bevestigde de uitspraak van de voorzieningenrechter.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van studiefinanciering voor de opleiding Bedrijfseconomie aan de Universiteit van Aruba.

Uitspraak

04/5687 WSF
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats] (Aruba), appellant,
en
de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 11 augustus 2004 heeft gedaagde appellants aanvraag om toekenning van studiefinanciering voor de opleiding Bedrijfseconomie aan de Universiteit van Aruba afgewezen op de grond dat met ingang van 1 september 2004 voor deze opleiding geen recht meer bestaat op studiefinanciering.
Bij besluit van 12 augustus 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde het namens appellant tegen het besluit van 11 augustus 2004 ingediende bezwaarschrift ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 28 september 2004, kenmerk 04/766 en 04/776 WSFBSF, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Assen (lees: Groningen) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.
Tegen de in die uitspraak vervatte ongegrondverklaring van zijn beroep heeft appellant hoger beroep ingesteld op door zijn gemachtigde mr. E.Tj. van Dalen, advocaat te Groningen, bij beroepschrift van 14 oktober 2004 aangevoerde gronden.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, gedateerd 22 november 2004.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 16 december 2005.
Voor appellant is verschenen mr. Van Dalen, voornoemd. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. drs. E.H.A. van den Berg, werkzaam bij de Informatie Beheer Groep.
II. MOTIVERING
Appellant stelt zich op het standpunt dat gedaagde heeft gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. Naar zijn mening mocht hij erop vertrouwen dat de website van de IB-Groep, die tot 11 augustus 2004 uitdrukkelijk aangaf dat het mogelijk was om studiefinanciering te krijgen voor het volgen van de opleiding bedrijfseconomie aan de universiteit van Aruba, klopte. Hij acht het niet zorgvuldig dat op de website niet was vermeld dat die mogelijkheid per 1 september 2004 kwam te vervallen. Bovendien, zo stelt appellant, heeft een medewerkster van de
IB-Groep hem telefonisch meegedeeld dat hij voor de opleiding op Aruba voor studiefinanciering in aanmerking kwam en hem met het oog op de in te dienen aanvraag een wijzigingsformulier toegezonden.
De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft overwogen dat in de in Uitleg Gele Katern van 16 april 2003 gepubliceerde beleidsregel 'Verlenging beleidsregel internationale aspecten WSF 2000 Aruba en Nederlandse Antillen' is bepaald dat de daarin genoemde gelijkstelling met buitenlandse opleidingen die zijn aangewezen op grond van artikel 2.14, tweede lid, WSF 2000 per 1 september 2004 komt te vervallen, zodat van schending van het zorvuldigheidsbeginsel geen sprake is.
Voor zover appellant zich heeft beroepen op de informatie op de website heeft de voorzieningenrechter overwogen dat op die site is vermeld dat aan deze teksten geen rechten kunnen worden ontleend, de zogenoemde 'disclaimer'. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft appellant dan ook ten onrechte uit de website afgeleid dat hij voor zijn studie op Aruba per 1 september 2004 voor studiefinanciering in aanmerking kwam.
De voorzieningenrechter heeft het beroep op het vertrouwensbeginsel verworpen, aangezien appellant door de enkele verwijzing naar een telefoongesprek met een niet bij name bekende medewerkster van de IB-Groep onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hem ongeclausuleerde toezeggingen zijn gedaan.
Hetgeen namens appellant in hoger beroep is aangevoerd vormt een herhaling van hetgeen namens hem reeds in beroep is aangevoerd. Nieuwe gezichtspunten zijn niet naar voren gebracht.
De Raad kan zich verenigen met de overwegingen en conclusies van de voorzieningenrechter van de rechtbank. De voorzieningenrechter heeft de grieven van appellant afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom het beroep van appellant op het rechtszekerheidbeginsel en het vertrouwensbeginsel niet slaagt.
De Raad heeft daaraan niets toe te voegen.
Het hoger beroep treft derhalve geen doel. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. G.J.H. Doornewaard en mr. J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2006.
(get.) J. Janssen.
(get.) M.H.A. Uri.
Gw