ECLI:NL:CRVB:2006:AV1414
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van der Net
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Bevestiging privaatrechtelijke dienstbetrekking prostituees in seksinrichting
De zaak betreft een hoger beroep van appellant tegen het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) dat prostituees werkzaam in zijn seksinrichting als werknemers in privaatrechtelijke dienstbetrekking worden beschouwd. Dit leidde tot verzekeringsplicht op grond van de Ziektewet, Werkloosheidswet en Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering vanaf 1 oktober 2000.
De Raad baseert zich op een rapport van de belastingdienst en eerdere jurisprudentie. Uit het onderzoek blijkt dat appellant een geordende, geïntegreerde organisatie heeft opgezet waarbij hij als beheerder en werkgever een overheersende rol vervult. Er zijn huisregels, tariefstellingen, werkplanning, vergunningen en toezicht, screening en controle. De prostituees zijn gebonden aan deze regels en onder toezicht, ondanks enige vrijheid in taakvervulling.
De Raad oordeelt dat er een gezagsrelatie bestaat en dat er sprake is van een verplichte persoonlijke arbeidsverrichting. De betalingen aan de prostituees worden als loon beschouwd, ondanks dat zij eerst kamerhuur aan appellant betalen. De verdediging van appellant dat het om zelfstandige ondernemers gaat en dat hij slechts kamerverhuurder is, wordt verworpen. Het beroep op algemene bestuursrechtelijke beginselen faalt omdat het dwingendrechtelijke regime prevaleert.
De Raad bevestigt daarmee het besluit van het Uwv en de uitspraak van de rechtbank Rotterdam, en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat tussen appellant en de prostituees sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking met verzekeringsplicht vanaf 1 oktober 2000.