ECLI:NL:PHR:2006:AX9396
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Arbeidsrechtelijke kwalificatie van freelance instructrice bij ANWB en toepassing wettelijk rechtsvermoeden arbeidsovereenkomst
In deze zaak staat centraal of tussen een instructrice op de slipschool van ANWB en ANWB zelf een arbeidsovereenkomst bestond. De instructrice beriep zich op het wettelijk rechtsvermoeden van art. 7:610a BW dat bij langdurige arbeid en loon een arbeidsovereenkomst wordt vermoed. Kantonrechter en hof oordeelden echter dat ANWB dit vermoeden had ontzenuwd en dat er geen arbeidsovereenkomst was, maar een freelance relatie.
De feiten tonen dat de instructrice niet vast was ingeroosterd, maar op freelance basis werd benaderd voor cursussen. ANWB hield vanaf 1996 loonbelasting en premies in, maar bleef haar als freelancer beschouwen, wat blijkt uit brieven, declaratieformulieren en salarisoverzichten. Het hof vond dat de omstandigheden zowel met een arbeidsovereenkomst als met een overeenkomst van opdracht verenigbaar waren en dat het bewijs ontbrak voor een gezagsverhouding die een arbeidsovereenkomst zou rechtvaardigen.
De instructrice klaagde in cassatie onder meer over vermeende vooringenomenheid van de rechters en de wijze waarop het rechtsvermoeden werd toegepast. De Hoge Raad verwierp deze klachten en bevestigde dat het hof terecht het rechtsvermoeden had toegepast en ontzenuwd. Ook werd bevestigd dat het oordeel van bestuursrechtelijke instanties over de arbeidsrelatie niet bindend is voor de burgerlijke rechter. De instructrice kreeg geen gelijk en het beroep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat er geen arbeidsovereenkomst bestaat tussen de instructrice en ANWB omdat het wettelijk rechtsvermoeden is ontzenuwd.