ECLI:NL:CRVB:2006:AV1647
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek kwijtschelding resterende terugvordering WAO-uitkering
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage die het verzoek tot kwijtschelding van de resterende terugvordering van zijn WAO-uitkering heeft afgewezen. De Raad overweegt dat het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering, waaruit de schuld voortvloeit, rechtens onaantastbaar is omdat appellant daartegen geen rechtsmiddelen heeft aangewend.
De Raad sluit zich aan bij de rechtbank dat appellant niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 57, tweede lid, onder c, en dat er geen dringende redenen zijn zoals bedoeld in artikel 57, vierde lid, WAO om kwijtschelding te verlenen. Tevens is niet gebleken van bevoegde en rechtens te honoreren toezeggingen van gedaagde dat de schuld zou worden kwijtgescholden.
Hoewel er telefonisch contact was over het verzoek tot kwijtschelding, is dit niet schriftelijk vastgelegd en was appellant zich bewust dat nog een besluit moest volgen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel en rechtszekerheidsbeginsel faalt daarom. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het verzoek tot kwijtschelding van de resterende terugvordering van de WAO-uitkering wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.