ECLI:NL:CRVB:2006:AV1687
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- J. Riphagen
- M. Greebe
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugvordering onverschuldigd betaalde WW- en WAO-uitkering wegens werkzaamheden
Appellant ontving uitkeringen op grond van de WAO, WW en TW. Naar aanleiding van een onderzoek naar werkzaamheden die appellant zou hebben verricht tijdens de uitkeringsperiode, stelde het UWV de uitkeringen op nihil of trok deze in en vorderde onverschuldigd betaalde bedragen terug. Appellant stelde dat hij werkzaamheden had gemeld en dat de omvang daarvan niet juist was vastgesteld, en voerde strijd met het motiverings-, zorgvuldigheids- en vertrouwensbeginsel.
De Raad oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de besluiten een deugdelijke feitelijke grondslag hadden. De bewering dat werkzaamheden door zijn toenmalige vriendin waren verricht, werd niet onderbouwd. De terugvorderingsbedragen waren voldoende toegelicht en niet onjuist aangetoond. Met betrekking tot de WW-uitkering werd vastgesteld dat het bezwaar tegen het herzieningsbesluit van 9 oktober 2001 niet ontvankelijk was wegens termijnoverschrijding, waardoor dat besluit onherroepelijk werd.
De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank over de WAO-uitkering en vernietigde het deel van de uitspraak over de WW-uitkering dat het bezwaar tegen het herzieningsbesluit betrof. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten van appellant. De uitspraak bevestigt de rechtmatigheid van terugvordering van onverschuldigde uitkeringen bij het verrichten van werkzaamheden zonder melding.
Uitkomst: De Raad bevestigt de terugvordering van onverschuldigde WAO- en WW-uitkeringen en verklaart het bezwaar tegen het herzieningsbesluit WW niet-ontvankelijk.