ECLI:NL:CRVB:2006:AV1959
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Vernietiging weigering WAO-uitkering wegens ontoereikende arbeidskundige grondslag
Appellante, werkzaam als schoonmaakster, viel uit door zwangerschapsklachten en meldde zich ziek wegens rug- en beenklachten na haar verlof. Het UWV weigerde zowel een WAO- als een Ziektewet-uitkering, omdat de beperkingen niet als gevolg van zwangerschap of bevalling werden gezien. De rechtbank vernietigde deze besluiten wegens onvoldoende zorgvuldige voorbereiding.
In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad dat het zorgvuldigheidsgebrek met aanvullende medische informatie is hersteld voor de Ziektewet-uitkering, waardoor de weigering daarvan wordt bevestigd. Voor de WAO-uitkering oordeelt de Raad dat de arbeidskundige onderbouwing ontoereikend is, omdat de functies waarop de beoordeling was gebaseerd toeslagen voor afwijkende werktijden kennen die niet waren meegenomen. Hierdoor resteren onvoldoende functies om de arbeidsongeschiktheid te schatten.
De Raad vernietigt daarom het besluit tot weigering van de WAO-uitkering en beveelt een nieuw besluit. Tevens veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De uitspraak bevestigt de weigering van de Ziektewet-uitkering voor het overige.
Uitkomst: De weigering van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende arbeidskundige onderbouwing, de weigering van de Ziektewet-uitkering wordt bevestigd.