ECLI:NL:CRVB:2006:AV1962
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.G.M. Simons
- H.J. de Mooij
- J.N.A. Bootsma
- Rechtspraak.nl
Beoordeling adequaatheid collectief vervoer en beëindiging individuele vervoersvergoeding
Appellant ontving voorheen een individuele financiële tegemoetkoming voor vervoerskosten op basis van een overgangsbeleid gekoppeld aan het bezit van een auto met een kenteken geregistreerd op zijn naam op 1 april 1996. Na het invullen van een vragenformulier waarin hij aangaf een andere auto te gebruiken, beëindigde de gemeente Heerlen de vergoeding met terugwerkende kracht tot 1 januari 2001 en stelde hem over op collectief vervoer met een lagere tegemoetkoming.
Appellant voerde aan dat de wijziging onrechtmatig was en dat hij om medische redenen geen gebruik kon maken van het collectief vervoer, en dat de intrekking niet voldeed aan de voorwaarden van de Verordening 2000. De Raad oordeelde dat het overgangsbeleid en de daarop gebaseerde Verordening 2000 rechtsgeldig waren en niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel of het verbod van willekeur.
De medische adviezen van de GGD, inclusief informatie van de behandelend cardioloog, ondersteunden het standpunt dat collectief vervoer adequaat was. Appellant bracht geen objectieve medische gegevens aan die dit tegenspraken. De Raad bevestigde derhalve het besluit tot beëindiging van de individuele vergoeding en de toekenning van collectief vervoer, en wees het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de individuele vervoersvergoeding en wijst het beroep af.