ECLI:NL:CRVB:2006:AV1971
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheidsuitkering directeur-grootaandeelhouder bij indirecte verrijking
Appellant ontvangt sinds 1987 een WAO-uitkering, laatstelijk berekend op 80-100% arbeidsongeschiktheid. Na onderzoek bleek dat hij sinds 1995 werkzaamheden verrichtte en inkomsten genoot, wat leidde tot een herbeoordeling van zijn arbeidsongeschiktheid volgens artikel 44 van Pro de WAO. De uitkering werd over 1998 en 1999 verminderd omdat het feitelijk verdienvermogen hoger was dan het loon dat appellant ontving.
Appellant voerde aan dat de nettowinst van zijn vennootschap niet volledig aan hem kon worden toegerekend vanwege fiscale aspecten, negatieve reserves en rente die niet werd betaald. De Raad oordeelde echter dat appellant zich als directeur-grootaandeelhouder indirect heeft verrijkt door een lager salaris te hanteren dan zijn werkelijke verdienvermogen, waardoor het loon geen reële afspiegeling van zijn arbeid is.
De Raad bevestigde het besluit van het UWV om de WAO-uitkering te verminderen en de onverschuldigd betaalde uitkering terug te vorderen. Er was geen dringende reden om van terugvordering af te zien. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard. De Raad achtte de toepassing van artikel 44 WAO Pro en de terugvordering conform artikel 57 WAO Pro rechtmatig.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vermindering en terugvordering van de WAO-uitkering wegens indirecte verrijking van appellant als directeur-grootaandeelhouder.