ECLI:NL:CRVB:2006:AV2034
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- J. Brand
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Vernietiging weigering WAO-uitkering ondanks instandhouding rechtsgevolgen
Appellante, voormalig productiemedewerkster diepvries, werd op 11 maart 2002 arbeidsongeschikt door malaise en vermoeidheid gerelateerd aan eerdere chemokuren. Het UWV weigerde op 7 februari 2003 een WAO-uitkering toe te kennen omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt zou zijn. Na bezwaar en beroep verklaarde de rechtbank Leeuwarden het beroep ongegrond.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de rechtbank terecht heeft vastgesteld dat appellante in staat was tot algemeen geaccepteerde arbeid en dat de belastbaarheid volgens de verzekeringsarts correct was vastgesteld. Nieuwe argumenten in hoger beroep waren niet onderbouwd met medische stukken.
Wel oordeelt de Raad dat het bestreden besluit op formele gronden vernietigd moet worden vanwege de toepassing van het claim beoordelings- en borgingssysteem (CBBS). De rechtsgevolgen van het besluit blijven echter gehandhaafd op grond van artikel 8:72 lid 3 Awb Pro.
Daarnaast veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellante in eerste aanleg en hoger beroep, totaal € 885,50, en tot vergoeding van het betaalde griffierecht. De uitspraak werd op 14 februari 2006 openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het besluit tot weigering van de WAO-uitkering wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand en het UWV wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.