ECLI:NL:CRVB:2006:AV2042

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 februari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/5568 WW + 04/5569 TW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 WWArt. 27 WWArt. 1 TWArt. 5 TWArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid en geen toeslag

Appellant, werkzaam als hoofd van de afdeling informatievoorziening, beëindigde zijn dienstverband per 1 december 2002 met wederzijds goedvinden na een aanbod van de werkgever. Hij vroeg een WW-uitkering en toeslag aan, die beide werden geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellant ging in hoger beroep.

De Raad overwoog dat er geen gegronde redenen waren voor beëindiging van het dienstverband en dat appellant naar behoren functioneerde. Er was geen bewijs van een alcoholprobleem of onvoldoende functioneren. De beëindiging was met wederzijds goedvinden en de werkgever had geen kans op ontbinding via de kantonrechter. Daarom was appellant verwijtbaar werkloos geworden door het aanbod zonder dringende noodzaak te accepteren.

De Raad concludeerde dat de weigering van de WW-uitkering en toeslag terecht was en dat het hoger beroep niet slaagde. Er waren geen gronden voor proceskostenveroordeling. De Raad bevestigde het bestreden vonnis van de rechtbank.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering en toeslag wegens verwijtbare werkloosheid.

Uitspraak

04/5568 WW
04/5569 TW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde,
en
HTM Personenvervoer N.V., gevestigd te ’s-Gravenhage, hierna: de werkgever.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant is in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Utrecht onder nummer SBR 03/1555 en SBR 03/1556 op 6 september 2004 tussen partijen gewezen uitspraak (hierna: de aangevallen uitspraak).
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Desgevraagd heeft de werkgever aangegeven aan het onderhavige geding te willen deelnemen. Tevens heeft de werkgever een reactie op het hoger beroep gegeven.
Het geding is behandeld ter zitting van 21 december 2005, bij welke gelegenheid appellant in persoon is verschenen, terwijl gedaagde zich, met bericht, niet heeft laten vertegenwoordigen. Ook de werkgever heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de Toeslagenwet (TW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
Appellant, geboren in 1952, is per 1 mei 2002 op basis van een dienstverband voor onbepaalde tijd bij de werkgever werkzaam geweest als hoofd van de afdeling informatievoorziening.
In een gesprek tussen appellant en de werkgever op 23 oktober 2002 heeft de werkgever te kennen gegeven dat hij het dienstverband met appellant wenste te beëindigen. De werkgever heeft appellant daarbij een tweetal mogelijkheden ten aanzien van die beëindiging voorgehouden en heeft deze mogelijkheden in een brief van dezelfde datum aan appellant voorgelegd. Appellant heeft vervolgens gekozen voor een beëindiging van de dienstbetrekking per 1 december 2002, onder toekenning van een bruto ontslag-uitkering ter grootte van 3 maandsalarissen, verhoogd met 8% vakantietoeslag.
Op 29 november 2002 heeft appellant een WW-uitkering aangevraagd. Tevens heeft appellant een toeslag op basis van de TW aangevraagd (hierna: toeslag).
Bij besluit van 4 februari 2003 heeft gedaagde de WW-uitkering blijvend geheel geweigerd. Bij besluit van dezelfde datum heeft gedaagde appellant niet in aanmerking gebracht voor een toeslag omdat de aanvraag voor een WW-uitkering was afgewezen.
De tegen die besluiten gerichte bezwaren heeft gedaagde bij de thans bestreden besluiten van 15 mei 2003 ongegrond verklaard. Ten aanzien van de WW-uitkering heeft gedaagde overwogen dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden door de aangeboden regeling zonder dringende noodzaak te accepteren. Ten aanzien van de toeslag heeft gedaagde, onder verwijzing naar artikel 5, tweede lid, van de TW overwogen dat geen recht op een toeslag bestaat omdat de WW-uitkering blijvend geheel is geweigerd.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellant aangegeven wat volgens hem de redenen waren voor het ontslag en heeft hij betoogd dat de werkgever hoe dan ook van hem af wilde onder andere omdat het project waarvoor hij werkte, was voltooid en dat, indien hij niet akkoord was gegaan met het beëindigingsvoorstel, de werkgever zich met een verzoek tot ontbinding tot de kantonrechter zou wenden.
De Raad overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW voorkomt de werknemer dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, van de WW is de werknemer verwijtbaar werkloos geworden indien de dienstbetrekking is beëindigd zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren zijn verbonden dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd.
Ingevolge artikel 27, eerste lid, van de WW wordt de uitkering blijvend geheel geweigerd indien de werknemer een verplichting, hem opgelegd op grond van artikel 24, eerste lid, onder a niet is nagekomen, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten.
Ingevolge artikel 1, eerste lid, onder d, van de TW wordt onder een loondervingsuitkering onder meer verstaan een uitkering krachtens de verplichte verzekering op grond van de WW.
Ingevolge artikel 5, tweede lid, van de TW, zoals dat artikel luidde tot 31 december 2003, bestaat geen recht op toeslag, indien de loondervingsuitkering niet tot uitbetaling komt op grond van enig handelen of nalaten van betrokkene dat hem redelijkerwijs kan worden verweten.
De Raad stelt vast dat de dienstbetrekking is geëindigd met wederzijds goedvinden. Appellant heeft na het daartoe strekkende aanbod van de werkgever en na overleg met een door hem geconsulteerde advocaat de beëindigingsovereenkomst ondertekend. De Raad volgt appellant dan ook niet in zijn stelling dat hier geen sprake is geweest van een wederzijds goedvinden.
Zoals appellant zelf heeft aangegeven waren er voor de werkgever geen gegronde redenen om de dienstbetrekking te beëindigen. Weliswaar had appellant een bepaald automatiseringsproject tot een goed einde gebracht, maar dat betekende niet, zoals hij ter zitting heeft benadrukt, dat hem geen werkzaamheden meer resteerden. Appellant heeft tevens benadrukt dat hij steeds naar behoren heeft gefunctioneerd. Het door de werkgever gestelde alcoholprobleem heeft appellant uitdrukkelijk ontkend. De Raad concludeert derhalve dat er geen zodanige bezwaren waren dat een voortzetting van het dienstverband in redelijkheid niet kon worden gevergd.
Dat de werkgever, ondanks het ontbreken van die redenen, toch had aangegeven de dienstbetrekking te willen beëindigen - hetgeen blijkt uit het verslag van de hoorzitting - doet daar niet aan af, nu uit die opstelling van de werkgever weliswaar blijkt dat de verhoudingen verstoord waren, maar daaruit kan nog niet worden afgeleid dat van appellant op dat moment niet langer de voortzetting van het dienstverband kon worden gevergd. Daarbij wijst de Raad er nog op dat, juist bij gebrek aan gegevens over het drankmisbruik dan wel het door de werkgever eveneens gestelde onvoldoende functioneren van appellant, op geen enkele wijze uit de stukken is gebleken dat een verzoek van de werkgever om ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter kans van slagen zou hebben gehad. Gedaagde heeft derhalve terecht geconcludeerd dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden in de zin van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met het tweede lid, onder b, van de WW zodat gedaagde was gehouden de maatregel bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de WW op te leggen. De Raad ziet geen aanleiding om te concluderen dat het niet nakomen van de hiervoor genoemde verplichting appellant niet in overwegende mate kan worden verweten.
Aangezien appellant geen afzonderlijke grieven heeft aangevoerd tegen de weigering om hem in aanmerking te brengen voor een toeslag, behoeft dat besluit geen verdere behandeling.
Het hoger beroep slaagt derhalve niet. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist dient derhalve te worden als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. H.G. Rottier en mr. J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2006.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) M. Renden.
FB/8/2