ECLI:NL:CRVB:2006:AV2042
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H.G. Rottier
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid en geen toeslag
Appellant, werkzaam als hoofd van de afdeling informatievoorziening, beëindigde zijn dienstverband per 1 december 2002 met wederzijds goedvinden na een aanbod van de werkgever. Hij vroeg een WW-uitkering en toeslag aan, die beide werden geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellant ging in hoger beroep.
De Raad overwoog dat er geen gegronde redenen waren voor beëindiging van het dienstverband en dat appellant naar behoren functioneerde. Er was geen bewijs van een alcoholprobleem of onvoldoende functioneren. De beëindiging was met wederzijds goedvinden en de werkgever had geen kans op ontbinding via de kantonrechter. Daarom was appellant verwijtbaar werkloos geworden door het aanbod zonder dringende noodzaak te accepteren.
De Raad concludeerde dat de weigering van de WW-uitkering en toeslag terecht was en dat het hoger beroep niet slaagde. Er waren geen gronden voor proceskostenveroordeling. De Raad bevestigde het bestreden vonnis van de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering en toeslag wegens verwijtbare werkloosheid.