ECLI:NL:CRVB:2006:AV2056
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling maatgevende functie bij weigering WAO-uitkering
De zaak betreft een geschil over de juiste vaststelling van de maatgevende functie (maatman) bij de beoordeling van een WAO-uitkering. Gedaagde was voorheen voltijds werkzaam als schoonmaker/afwasser (38 uur per week) en werd ongeschikt geacht voor deze functie. Na een periode van werkloosheid hervatte hij deels werk (15 uur per week) als schoonmaker, terwijl hij voor de resterende uren een WW-uitkering ontving en zich alleen voor die uren ziek meldde.
De rechtbank Amsterdam had de maatman vastgesteld op de schoonmaker/afwasser met een werkweek van 38 uur, maar oordeelde dat vanwege de partiële werkhervatting van 15 uur per week een andere maatman moest worden genomen. Appellant, het UWV, was het hier niet mee eens en stelde dat de maatman de functie moet zijn die gedaagde laatstelijk voltijds verrichtte.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat volgens vaste jurisprudentie de maatman in beginsel de laatstelijk voltijds verrichte functie is, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De partiële werkhervatting en de voortzetting van de WW-uitkering vormen geen reden om hiervan af te wijken. De rechtbank heeft ten onrechte een andere maatman aangenomen. Daarom wordt de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van appellant ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de WAO-uitkering wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.