ECLI:NL:CRVB:2006:AV2064
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- G.J.H. Doornewaard
- R.C. Stam
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als schoonmaakster, hervatte haar werk niet na zwangerschapsverlof vanwege been- en linkerheupklachten. De verzekeringsarts stelde een belastbaarheidspatroon vast dat lichte lichamelijke arbeid toestaat. Een arbeidsdeskundige bepaalde op basis hiervan dat het verlies aan verdiencapaciteit 0% bedroeg. Gedaagde weigerde daarom de WAO-uitkering.
In bezwaar en beroep werd het oordeel bevestigd door een onafhankelijke revalidatiearts die de beperkingen als adequaat beoordeelde. Appellante voerde aan dat zij meer beperkt was, met medische stukken van diverse specialisten, waaronder een orthopedisch chirurg. De Raad volgde echter de deskundige die op eigen onderzoek en dossierstudie zijn conclusie motiveerde.
De Raad achtte de aangenomen beperkingen voldoende onderbouwd en vond geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De arbeidsdeskundige selectie van functies bleef gehandhaafd, met een vastgesteld verlies aan verdiencapaciteit van 1,5%, wat leidt tot een WAO-uitkering van minder dan 15%. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.