ECLI:NL:CRVB:2006:AV2173
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- C.P.J. Goorden
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid ondanks medische klachten
Appellante was sinds 1997 parttime secretariaatsmedewerker en meldde zich in 1999 ziek wegens rugklachten. In 2001 werd zij medegedeeld niet in aanmerking te komen voor WAO-uitkering omdat zij geschikt werd geacht haar eigen werk te hervatten. Na loondoorbetaling stopte de werkgever deze in maart 2002. De WW-uitkering werd geheel geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid, omdat medisch onvoldoende reden bestond om het werk niet te hervatten.
Appellante voerde in hoger beroep medische rapporten aan, waaronder een discografie uit 2003 die een anulusruptuur vaststelde. De Raad oordeelde echter dat er geen eenduidig medisch bewijs was dat deze afwijking al in 2000-2002 aanwezig was en dat de klachten toen al reëel belemmerden om het werk te hervatten. De Raad achtte het mogelijk dat appellante in maart 2002 haar eigen werk, dat afwisselend zitten, staan en lopen vereiste, kon hervatten.
De Raad verwierp het beroep en bevestigde de eerdere uitspraak. Er was geen grond voor toepassing van proceskostenvergoeding. De medische stukken boden onvoldoende basis om van verminderde verwijtbaarheid te spreken. De weigering van de WW-uitkering bleef daarmee in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid.