ECLI:NL:CRVB:2006:AV2182
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H.G. Rottier
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Beëindiging dienstbetrekking zonder gegronde bezwaren leidt tot verwijtbare werkloosheid
Appellant, sinds 1998 in dienst als schoonmaker, werd na een incident in september 2001 geschorst en de werkgever verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens een vermeend onoverbrugbaar verschil van inzicht. De kantonrechter ontbond de arbeidsovereenkomst per 1 december 2001 zonder vergoeding toe te kennen, ondanks dat appellant stelde geen verwijt te treffen.
Appellant vroeg een WW-uitkering aan, die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) werd geweigerd op grond van verwijtbare werkloosheid. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Raad bevestigde dit in hoger beroep. De Raad oordeelde dat er geen bewijs was van disfunctioneren of verschil van inzicht dat de ontbinding rechtvaardigde en dat appellant door geen inhoudelijk verweer te voeren onnodig aan de beëindiging heeft meegewerkt.
De Raad verwierp ook het argument van appellant dat hij een verkapte vergoeding had ontvangen, omdat alleen het salaris tot aan de ontbindingsdatum was doorbetaald. De Raad concludeerde dat de verwijtbare werkloosheid appellant in overwegende mate kan worden toegerekend en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt blijvend geheel geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid omdat appellant onnodig heeft meegewerkt aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking zonder zwaarwegende bezwaren.