ECLI:NL:CRVB:2006:AV2595
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WAO-uitkering en arbeidsongeschiktheid na herbeoordeling
Appellante, werkzaam bij het Ministerie van Defensie, kreeg vanaf 15 augustus 1999 een WAO-uitkering toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 15 tot 25%. Na bezwaar en herbeoordeling werd de ingangsdatum van de uitkering vastgesteld op 9 mei 1999. Appellante voerde aan dat haar beperkingen ernstiger waren dan vastgesteld en dat nader specialistisch onderzoek had moeten plaatsvinden.
De Raad heeft overwogen dat de medische en arbeidskundige beoordeling voldoende was onderbouwd, waarbij rekening is gehouden met diverse medische rapporten en adviezen van verzekeringsartsen. Het rapport van het Spine & Joint Centre uit 2004 kon geen harde uitspraken doen over de situatie per 9 mei 1999. Ook de brief van 3 augustus 2000 van gedaagde bevatte geen duidelijke toezegging tot een hogere uitkering met terugwerkende kracht.
De Raad concludeert dat het bestreden besluit een toereikende grondslag heeft en dat de brief van 3 augustus 2000 geen aanleiding geeft tot een andere beoordeling. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er wordt geen vergoeding van proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit bevestigd.