ECLI:NL:CRVB:2006:AV2775
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H.G. Rottier
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na instemming met ontslag
Appellant was sinds 1 augustus 2000 werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst naar Belgisch recht en beëindigde deze per 30 juni 2001 via een dadingsovereenkomst. Hoewel hij daarna nog tot eind 2001 feitelijk bleef werken, werd zijn WW-uitkering geweigerd omdat hij verwijtbaar werkloos werd geacht.
De rechtbank had het standpunt van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) onderschreven dat appellant niet gedwongen was akkoord te gaan met het ontslag en dat er geen zodanige bezwaren waren dat voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd. Appellant voerde aan dat het ontslag in overeenstemming met Belgisch recht was en dat protesteren zinloos was vanwege de slechte financiële situatie van de werkgever.
De Raad stelde vast dat appellant een ontslagvergoeding van zes maandsalarissen ontving en tot het einde van 2001 een lease-auto gebruikte. Er was geen bewijs dat appellant onder druk was gezet om de beëindigingsovereenkomst te ondertekenen. De Raad oordeelde dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden omdat hij onnodig meewerkte aan de beëindiging van het dienstverband.
Het feit dat er per 1 februari 2002 een collectief ontslag was, maakte dit niet anders omdat onvoldoende vaststond dat dit op appellant van toepassing was en zijn werkloosheid in ieder geval eerder was ingetreden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid door vrijwillige instemming met het ontslag.