ECLI:NL:CRVB:2006:AV2793
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H.G. Rottier
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid door niet behouden passende arbeid
Appellante was administratief medewerkster bij een notariskantoor en had een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die per 1 maart 2002 zou eindigen, tenzij verlengd. De werkgever bood haar een nieuwe arbeidsovereenkomst aan, maar appellante reageerde met een brief waarin zij niet akkoord ging met de voorwaarden en een geheel nieuwe overeenkomst verlangde. Hierdoor kwam geen nieuwe dienstbetrekking tot stand en ontstond werkloosheid.
Gedaagde, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, weigerde de WW-uitkering omdat appellante door eigen toedoen geen passende arbeid had behouden, in strijd met artikel 24 van Pro de WW. De rechtbank vernietigde aanvankelijk een besluit van gedaagde, maar bij de bestreden uitspraak werd het beroep ongegrond verklaard.
De Raad volgde de rechtbank en oordeelde dat de nieuwe arbeidsovereenkomst passende arbeid betrof en dat appellante onvoldoende grond had om deze te weigeren. Haar brief en houding leidden ertoe dat de werkgever het dienstverband niet verlengde. Hierdoor is appellante verwijtbaar werkloos geworden en is de uitkering terecht geheel geweigerd. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt blijvend geheel geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid door eigen toedoen van appellante.