ECLI:NL:CRVB:2006:AV2983
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- C.P.J. Goorden
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na vrijwillig ontslag
Appellant was als uitzendkracht in dienst bij een werkgever en nam op 20 mei 2002 vrijwillig ontslag om bij een andere werkgever te gaan werken. Toen het nieuwe project bij die werkgever niet doorging, keerde appellant terug naar de oorspronkelijke werkgever, waar het dienstverband op 28 oktober 2002 eindigde wegens einde werk.
De uitkeringsinstantie weigerde de WW-uitkering omdat appellant verwijtbaar werkloos was geworden door het vrijwillige ontslag, en deze verwijtbaarheid doorwerkte in de latere werkloosheid. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Raad bevestigde dit oordeel.
De Raad overwoog dat er geen acute noodzaak was voor appellant om ontslag te nemen, temeer daar hij nog vijf maanden bij de oorspronkelijke werkgever heeft gewerkt na het ontslag. De brief van de nieuwe werkgever bood slechts een intentie tot indiensttreding zonder zekerheid. Verminderde verwijtbaarheid was niet aannemelijk en er waren geen dringende redenen om af te zien van de maatregel.
De Raad concludeerde dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden en bevestigde de weigering van de WW-uitkering. Proceskostenvergoeding werd niet toegekend.
Uitkomst: De weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid wordt bevestigd.