AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging afwijzing bijzondere bijstand voor advocaatkosten zonder toevoeging
Appellant verzocht bijzondere bijstand voor kosten van rechtsbijstand verleend door een advocaat zonder toevoeging van de Raad voor Rechtsbijstand. Het college van burgemeester en wethouders van Winterswijk wees dit verzoek af omdat de kosten niet als noodzakelijke kosten van het bestaan konden worden beschouwd volgens artikel 35 vanPro de WWB. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak.
De Raad overwoog dat rechtsbijstand in beginsel noodzakelijk wordt geacht indien toevoeging is verleend, maar dat bij afwezigheid daarvan het bijstandsorgaan zelfstandig moet beoordelen of de kosten noodzakelijk zijn. Appellant bracht geen nieuwe argumenten aan om de noodzaak van de procedures zonder toevoeging aan te tonen.
Daarom oordeelt de Raad dat de advocaatkosten niet als bijzondere bijstand kunnen worden toegekend en dat het hoger beroep ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De afwijzing van bijzondere bijstand voor advocaatkosten zonder toevoeging wordt bevestigd.
Uitspraak
E N K E L V O U D I G E K A M E R
04/6154 WWB-E
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Winterswijk, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 2 november 2004, reg.nr. 04/584 WWB.
Het hoger beroep is met toepassing van artikel 21 vanPro de Beroepswet in samenhang met artikel 8:54 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij uitspraak van 26 april 2005 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat appellant het griffierecht niet binnen de daarvoor gegeven termijn heeft betaald.
Het verzet van appellant tegen die uitspraak is bij uitspraak van 9 augustus 2005 gegrond verklaard. Ten gevolge hiervan is de uitspraak van 26 april 2005 komen te vervallen en het onderzoek in hoger beroep voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
Gedaagde heeft bij wijze van verweer verwezen naar de stukken die aan de rechtbank zijn toegezonden.
Appellant heeft nog nadere stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 14 februari 2006, waar appellant in persoon is verschenen, en waar gedaagde zich niet heeft laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Bij besluit van 20 januari 2004 heeft gedaagde de aanvraag van appellant om bijzondere bijstand in de kosten van rechtsbijstand, verleend door mr. H.C. Ingelse, destijds advocaat bij Boels Zanders advocaten te Roermond, tot een bedrag van € 617,25 afgewezen. Aan dit besluit heeft gedaagde ten grondslag gelegd dat de advocaatkosten niet aangemerkt kunnen worden als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan, zoals bedoeld in artikel 35 vanPro de Wet werk en bijstand (WWB). Hierbij heeft gedaagde de omstandigheden betrokken dat er geen sprake is van toevoeging door de Raad van de Rechtsbijstand en dat de door mr. Ingelse gemaakte kosten betrekking hebben op de in het verleden door appellant gevoerde procedures tegen personen en/of instanties die betrokken waren bij zijn faillissement en de surseance van betaling.
Bij besluit van 22 april 2004 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 20 januari 2004 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 22 april 2004 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Zoals de Raad reeds eerder, onder meer in zijn uitspraak van 23 november 1999, LJN AA8546, heeft overwogen, kan de noodzaak voor het verlenen van rechtsbijstand in beginsel worden aangenomen indien op grond van de Wet op de rechtsbijstand krachtens toevoeging rechtsbijstand is verleend. In zijn uitspraak van 30 mei 2002, LJN ZB8818, heeft de Raad voorts overwogen dat, in een concreet geval waarbij van toevoeging geen sprake is, het bijstandsverlenend orgaan zich aan de hand van de zich voordoende omstandigheden zelfstandig een oordeel dient te vormen met betrekking tot de noodzaak van de gevoerde procedures.
Nu appellant in hoger beroep geen nieuwe gezichtspunten heeft aangedragen op grond waarvan de noodzaak van de door hem zonder toevoeging gevoerde procedures kan worden aangenomen, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat gedaagde zich terecht op standpunt heeft gesteld dat de hier aan de orde zijnde advocaatkosten niet als noodzakelijke kosten van het bestaan als bedoeld in artikel 35 vanPro de WWB zijn aan te merken. Voor verlening van bijzondere bijstand voor deze kosten is dan ook geen plaats.
Het voorgaande brengt met zich mee dat het hoger beroep niet slaagt zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Ten slotte ziet de Raad geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van mr. R.J. van der Veen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2006.