ECLI:NL:CRVB:2006:AV3133

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 februari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/6068 AWBZ + 03/6069 AWBZ
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:18 AwbArt. 6:19 AwbArt. 8:72 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij eigen bijdrage thuiszorg

Appellante maakte bezwaar tegen besluiten van OWM Zilveren Kruis Ziekenfonds over de eigen bijdrage thuiszorg voor de jaren 1997 en 1999. Na een reeks besluiten, waaronder een intrekking van een eerdere afwijzing en een nieuwe vaststelling van de eigen bijdrage op fl. 5,00 per week, oordeelde de rechtbank dat de eigen bijdrage correct was vastgesteld en verklaarde het beroep gegrond.

De Centrale Raad van Beroep constateert dat aan de bezwaren van appellante volledig is tegemoetgekomen. Hierdoor ontbreekt het procesbelang voor het hoger beroep. Tevens oordeelt de Raad dat de in hoger beroep aangevoerde kwesties over het jaar 2000 en orthopedisch schoeisel buiten het bestreden besluit vallen en daarom buiten beschouwing blijven.

De Raad verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk en ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak is gedaan door de voorzitter en leden van de Raad in aanwezigheid van de griffier op 20 februari 2006.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

03/6068 AWBZ + 03/6069 AWBZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
OWM Zilveren Kruis Ziekenfonds U.A., gevestigd te Rotterdam, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 13 november 2003,
reg.nrs. Awb/8117 en 02/1774.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 25 januari 2006, waar appellante niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M.B. Gschwind.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 15 maart 1999 heeft gedaagde de eigen bijdrage thuiszorg over 1997 definitief vastgesteld en bij besluit van 23 maart 1999 de in 1999 verschuldigde eigen bijdrage thuiszorg.
Bij besluit van 19 juli 2000 heeft gedaagde de door appellante tegen deze besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij besluit van 12 september 2000 heeft gedaagde het besluit van 19 juli 2000 ingetrokken onder mededeling dat de besluiten van 15 maart 1999 en 23 maart 1999 niet in stand kunnen blijven en dat het tegen deze besluiten ingestelde bezwaar alsnog gegrond wordt verklaard.
De rechtbank heeft geoordeeld dat sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 6:18 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en met toepassing van artikel 6:19 van Pro de Awb het beroep mede gericht geacht tegen het besluit van
12 september 2000.
Gedaagde heeft ter zitting van de rechtbank erkend dat in het besluit van 12 september 2000 de eigen bijdragen thuiszorg over 1997 en 1999 niet expliciet zijn genoemd.
Appellante heeft ter zitting van de rechtbank verklaard dat zij over de hier in geding zijnde jaren, 1997 en 1999, een bedrag van fl. 5,00 per week heeft betaald als eigen bijdrage thuiszorg.
De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 12 september 2000 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, Awb bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De eigen bijdrage voor thuiszorg heeft zij vastgesteld op fl 5,00 (€ 2,27) per week.
De Raad constateert dat volledig aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen. Aangezien niet blijkt welk belang appellante nog heeft bij de beoordeling van het hoger beroep zal het hoger beroep wegens ontbrekend procesbelang niet-ontvankelijk worden verklaard.
Hetgeen appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht over de eigen bijdrage in het jaar 2000 gaat de omvang van het geding, dat uitsluitend betrekking heeft over de jaren 1997 en 1999, te buiten en dient derhalve buiten beschouwing te blijven, Het zelfde geldt voor hetgeen appellante heeft aangevoerd met betrekking tot orthopedisch schoeisel.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus gegeven door mr. M.I. ’t Hooft als voorzitter, en mr. R.M. van Male en Prof. mr. A.Q.C. Tak als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2006.
(get.) M.I. ’t Hooft.
(get.) R.L. Rijnen.