ECLI:NL:CRVB:2006:AV3832
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.I. ’t Hooft
- R.M. van Male
- A.Q.C. Tak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing autokostenvergoeding wegens adequaat collectief vervoer ondanks incontinentie
Gedaagde, met locomotore beperkingen en incontinentie, kreeg collectief vervoer toegekend op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg). Zij verzocht om een autokostenvergoeding, maar deze werd afgewezen door appellant. Een arts concludeerde dat collectief vervoer problematisch maar medisch niet onaanvaardbaar was.
De rechtbank verklaarde het beroep van gedaagde gegrond en beval een nieuw besluit, stellende dat collectief vervoer niet adequaat was. Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de zorgplicht onder de Wvg zich beperkt tot voorzieningen die gehandicapten in redelijke mate in staat stellen deel te nemen aan het dagelijks leven in hun directe omgeving. Gezien de korte afstanden en het gebruik van adequaat incontinentiemateriaal, vormt de incontinentie geen beletsel voor het gebruik van collectief vervoer.
De medische verklaringen boden geen aanwijzingen dat gedaagde niet van het collectief vervoer gebruik kon maken. Daarom vernietigde de Raad de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de autokostenvergoeding wordt ongegrond verklaard omdat collectief vervoer adequaat is ondanks incontinentie.