Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2006:AV3832

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 februari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/92 WVG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.2 Verordening voorzieningen gehandicapten WalcherenArt. 3:4 Algemene wet bestuursrechtWet voorzieningen gehandicapten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing autokostenvergoeding wegens adequaat collectief vervoer ondanks incontinentie

Gedaagde, met locomotore beperkingen en incontinentie, kreeg collectief vervoer toegekend op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg). Zij verzocht om een autokostenvergoeding, maar deze werd afgewezen door appellant. Een arts concludeerde dat collectief vervoer problematisch maar medisch niet onaanvaardbaar was.

De rechtbank verklaarde het beroep van gedaagde gegrond en beval een nieuw besluit, stellende dat collectief vervoer niet adequaat was. Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de zorgplicht onder de Wvg zich beperkt tot voorzieningen die gehandicapten in redelijke mate in staat stellen deel te nemen aan het dagelijks leven in hun directe omgeving. Gezien de korte afstanden en het gebruik van adequaat incontinentiemateriaal, vormt de incontinentie geen beletsel voor het gebruik van collectief vervoer.

De medische verklaringen boden geen aanwijzingen dat gedaagde niet van het collectief vervoer gebruik kon maken. Daarom vernietigde de Raad de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de autokostenvergoeding wordt ongegrond verklaard omdat collectief vervoer adequaat is ondanks incontinentie.

Uitspraak

04/92 WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het dagelijks bestuur van Maatschappelijke Zorg Walcheren, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 28 november 2003,
reg.nr. Awb 03/196.
Namens gedaagde heeft mr. V.M.C. Verhaegen, advocaat te Middelburg, een verweerschrift ingediend.
Gedaagde heeft nadere stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 25 januari 2006, waar appellant - met voorafgaand bericht – niet is verschenen en waar voor gedaagde is verschenen mr. Verhaegen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende, tussen partijen niet in geschil zijnde feiten en omstandigheden.
Aan gedaagde, die locomotore beperkingen heeft en last heeft van incontinentie, is in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) en de Verordening voorzieningen gehandicapten Walcheren (Verordening) per 1 augustus 1996 een vervoersvoorziening toegekend in de vorm van collectief vervoer.
Bij brief van 28 juni 2002 is namens gedaagde verzocht om een financiële tegemoetkoming in de kosten van vervoer per eigen auto (hierna: autokostenvergoeding).
Ter beoordeling van de aanspraak van gedaagde op deze vervoersvoorziening is zij in opdracht van appellant onderzocht door de aan Argonaut B.V. verbonden arts W.A. Dingemans. Blijkens zijn rapport van 15 oktober 2002 is deze arts op basis van zijn bevindingen tijdens spreekuurbezoek, lichamelijk onderzoek, dossieronderzoek en informatie van het Revalidatiecentrum ‘Lindenhof’ te Goes (RZG) tot de slotsom gekomen dat collectief vervoer voor gedaagde enigszins problematisch is aangezien zij relatief vaak moet plassen en rugklachten door wervelinzakking heeft. Onder erkenning van het feit dat eigen vervoer plezieriger is voor gedaagde, heeft hij geoordeeld dat er geen strikt medische indicatie is voor eigen vervoer. Hij heeft daarbij aangetekend dat gedaagde rekening houdt met haar aandrang.
Bij besluit van 8 november 2002 heeft appellant onder verwijzing naar artikel 1.2, van de Verordening de aanvraag van gedaagde om een autokostenvergoeding afgewezen.
In zijn besluit op bezwaar heeft appellant aan gedaagde - naast de reeds toegekende voorziening van collectief vervoer - een financiële tegemoetkoming van € 606,-- per jaar toegekend. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat het collectief vervoer voor een persoon als gedaagde, die een loopafstand van minder dan honderd meter heeft, voor verplaatsingen over de zeer korte afstand geen adequate voorziening kan worden gevonden, zodat voor die verplaatsingen een bijzondere -al dan niet aanvullende- voorziening moet worden getroffen.
Gedaagde heeft aangevoerd dat zij in verband met haar incontinentie-klachten niet in staat is gebruik te maken van het collectieve vervoer.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank – met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten – het beroep van gedaagde tegen het besluit op bezwaar vanwege strijd met artikel 3:4 van Pro de Algemene wet bestuursrecht gegrond verklaard en bepaald dat appellant een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. Zij heeft – onder verwijzing naar de bevindingen van de arts Dingemans – geoordeeld dat in redelijkheid niet kan worden gezegd dat collectief vervoer een adequate oplossing is voor gedaagdes vervoersproblematiek.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Het op de toepassing van de Wvg betrekking hebbende geschil spits zich toe op de vraag of gedaagde ten tijde in geding in staat kon worden geacht om gebruik te maken van het systeem van collectief vervoer.
De Raad stelt bij de beantwoording van die vraag voorop dat de in en krachtens de Wvg geregelde zorgplicht van het gemeentebestuur voor vervoersvoorzieningen van gehandicapten, naar vaste jurisprudentie, niet verder reikt dan het treffen van voorzieningen die deze gehandicapten in aanvaarbare mate in staat stellen om in hun directe woon- en leefomgeving deel te nemen aan het leven van alledag.
Daarvan uitgaande is de Raad van oordeel dat de incontinentie van gedaagde, gezien het rapport van de arts Dingemans, geen beletsel behoeft te zijn voor gebruikmaking van het collectief vervoer nu het daarbij in de regel om vrij korte afstanden in de directe woon- en leefomgeving gaat. Gelet op deze beperkte actieradius moet de Raad het ervoor houden dat gedaagde bij het vervoer over beperkte afstanden gebruik kan maken van adequaat incontinentiemateriaal. Gedaagde heeft het tegendeel niet aan getoond.
In de in hoger beroep ingezonden (ongedateerde) verklaring van de huisarts F.G. Snijder en de (medische) informatie van het RZG ziet de Raad geen aanknopingspunten om aan te nemen dat gedaagde geen gebruik kon maken van het collectief vervoer.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep doel treft. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking en het beroep dient ongegrond te worden verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.
Aldus gegeven door mr. M.I. ’t Hooft, als voorzitter, en mr. R.M. van Male en prof. mr. A.Q.C. Tak als leden in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2006.
(get.) M.I. ’t Hooft.
(get.) R.L. Rijnen.