ECLI:NL:CRVB:2006:AV3927

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 februari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05/5553 WWB-V + 05/5554 WWB-V
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 18 BeroepswetArt. 21 BeroepswetArt. 234 VWEU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep in sociale zekerheidszaak ongegrond verklaard

In deze bestuursrechtelijke zaak hebben opposanten hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam waarin het verzet tegen een eerdere uitspraak ongegrond werd verklaard. De Raad had het hoger beroep eerder niet-ontvankelijk verklaard vanwege kennelijke onbevoegdheid, omdat het hoger beroep tegen die uitspraak niet is toegestaan volgens de Awb.

Opposanten dienden verzet in tegen deze niet-ontvankelijkverklaring, stellende dat er sprake zou zijn van een evidente schending van fundamentele rechtsbeginselen. De Raad heeft dit verzet inhoudelijk onderzocht en geoordeeld dat de gronden van opposanten onvoldoende zijn om het wettelijk appèlverbod te doorbreken.

De Raad benadrukt dat de uitspraak van de rechtbank een uitspraak betreft waartegen geen hoger beroep mogelijk is, zodat de Raad niet bevoegd was het hoger beroep te behandelen. Er is geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. Het verzet wordt daarom ongegrond verklaard en er worden geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
05/5553 WWB-V + 05/5554 WWB-V
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van Pro de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de gedingen tussen:
Stichting [naam Stichting 1], en Stichting [naam Stichting 2], beiden gevestigd te [vestigingsplaats], opposanten,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, geopposeerde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Bij uitspraak van de Raad van 25 oktober 2005 is het door opposanten ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 juli 2005, reg.nr. 05/880, waarbij met toepassing van artikel 8:55 van Pro de Awb is beslist op het verzet tegen een uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro die wet, niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft O. de Rooij namens opposanten een verzetschrift ingediend. De gronden van het verzet zijn nader aangevuld bij brief van 30 januari 2006.
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van 14 februari 2006, waar opposanten zich hebben laten vertegenwoordigen door De Rooij. Geopposeerde heeft zich, zoals aangekondigd, niet laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Verzet, als bedoeld in artikel 8:55 van Pro de Awb, betreft uitsluitend de vraag of de Raad ten onrechte tot vereenvoudigde behandeling is overgegaan wegens - in dit geval - de kennelijke niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep.
Opposanten hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 juli 2005 waarbij het verzet tegen een uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro die wet, ongegrond is verklaard. De uitspraak van de rechtbank van 15 juli 2005 is dan ook een uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, onder b van de Awb waartegen, gelet op artikel 18, tweede lid, aanhef en onder c van de Beroepswet, geen hoger beroep kan worden ingesteld.
Hetgeen namens opposanten is aangevoerd kan niet leiden tot het oordeel dat sprake is geweest van evidente schending van beginselen van een goede procesorde dan wel fundamentele rechtsbeginselen die een eerlijk proces waarborgen, die een uitzondering op dit wettelijk appèlverbod rechtvaardigt.
Het vorenstaande brengt met zich mee dat de Raad kennelijk onbevoegd was van het hoger beroep kennis te nemen, zodat de Raad zich onbevoegd had dienen te verklaren. In de omstandigheid dat de Raad bij uitspraak van 25 oktober 2005 het hoger beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard ziet de Raad geen grond om tot gegrondverklaring van het verzet over te gaan.
Daarmee is tevens gegeven dat er voor de Raad thans geen ruimte is om met toepassing van artikel 234 van Pro het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap over te gaan tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.
Gelet op het vorenstaande bestaat er aanleiding het verzet met toepassing van artikel 8:55, vijfde lid, aanhef en onder b, van de Awb ongegrond te verklaren.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van mr. R.J. van der Veen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2006.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) R.J. van der Veen.