ECLI:NL:CRVB:2006:AV4206
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- G.J.H. Doornewaard
- I.M.J. Hilhorst-Hagen
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep vernietigt besluit over WAO-uitkering wegens onvoldoende zorgvuldigheid
Gedaagde, sinds 1990 arbeidsongeschikt wegens een spierziekte, werkte volgens eigen opgave 2 à 2,5 uur per dag bij zijn bedrijf. Het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) stelde op basis van getuigenverklaringen dat hij meer uren werkte en schortte daarom zijn WAO-uitkering op. Gedaagde voerde aan dat hij niet voltijds werkte en dat hij vaak in het privé-gedeelte van het pand verbleef.
De Raad onderzocht de omzetgegevens, getuigenverklaringen en de aard van de werkzaamheden. Hoewel gedaagde een belangrijke rol had als bedrijfsleider en diverse taken verrichtte, was het aantal patiënten en de omvang van de werkzaamheden beperkt. De verklaringen over zijn aanwezigheid en werkuren waren niet eenduidig.
De Raad oordeelde dat het UWV het besluit niet met voldoende zorgvuldigheid had voorbereid, zoals vereist volgens artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Er was onvoldoende bewijs dat gedaagde voltijds werkte of een volledige arbeidsprestatie leverde waarvoor het volledige loon werd doorbetaald.
Daarom vernietigde de Raad het besluit van 28 januari 2003 dat de uitkering introk en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van de overwegingen. Tevens werd het UWV veroordeeld tot betaling van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende zorgvuldigheid en het UWV moet een nieuw besluit nemen.