ECLI:NL:CRVB:2006:AV4234

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 maart 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05/2457 WAO + 05/2463 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 BeroepswetArt. 8:55 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens niet-tijdige betaling griffierecht

De Centrale Raad van Beroep behandelde het verzet tegen de uitspraak waarbij het hoger beroep van opposant niet-ontvankelijk werd verklaard wegens het niet tijdig betalen van het griffierecht. Opposant voerde aan dat zijn financiële situatie en de eigen bijdrage voor rechtsbijstand het onmogelijk maakten om het griffierecht binnen de termijn te voldoen.

Tijdens de zitting op 20 januari 2006, waar opposant werd vertegenwoordigd, werd betoogd dat ook het advocatenkantoor financieel niet in staat was om de griffierechten vooruit te betalen zonder zekerheid over de toevoeging. De Raad oordeelde echter dat dit geen voldoende grond vormde om het verzuim te rechtvaardigen, mede omdat opposant zich tijdig tot de Raad had kunnen wenden voor uitstel.

De Raad concludeerde dat het verzet ongegrond is en dat er geen gronden zijn om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb. Daarmee blijft de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep in stand.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en het hoger beroep blijft niet-ontvankelijk wegens niet-tijdige betaling van het griffierecht.

Uitspraak

05/2457 WAO + 05/2463 ZW
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van Pro de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[opposant], wonende te [woonplaats], opposant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, geopposeerde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
De Raad heeft bij uitspraak van 5 augustus 2005 het namens opposant ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 maart 2005, nummers AWB 02/1193 WAO en 02/1195 ZW, niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn is betaald.
Tegen die uitspraak heeft mr. S.H.R. van Heeks, advocaat te Amsterdam, namens opposant een verzetschrift ingediend.
Het verzet is behandeld ter zitting van de Raad gehouden op 20 januari 2006, waar opposant is verschenen bij gemachtigde en waar geopposeerde zich - met voorafgaand bericht - niet heeft laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Ten gevolge van het gedane verzet dient de Raad thans de vraag te beantwoorden of het hoger beroep bij zijn uitspraak van
5 augustus 2005 terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
In het verzetschrift heeft de gemachtigde van opposant onder meer aangegeven dat het voor opposant vanwege zijn financiële situatie niet mogelijk is gebleken het griffierecht tijdig te voldoen, mede doordat opposant in dezelfde periode in het kader van de toevoeging een eigen bijdrage van € 90,-- diende te voldoen. Tijdens de behandeling ter zitting heeft de gemachtigde nog aangevoerd dat het voor een klein advocatenkantoor financieel niet mogelijk is de verschuldigde griffierechten voor cliënten te voldoen op het moment dat nog onduidelijk is of de aanvraag voor rechtsbijstand zal worden gehonoreerd.
Hetgeen de gemachtigde van opposant heeft aangevoerd bevat geen grond op basis waarvan redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat opposant niet in verzuim is geweest.
De Raad overweegt daartoe dat de gemachtigde van opposant zich in een eerder stadium, in ieder geval voor afloop van de betalingstermijn, tot de Raad had kunnen wenden met het verzoek om rekening te houden met de financiële situatie van opposant zodat de Raad aan opposant eventueel enig uitstel van betaling had kunnen verlenen.
Gezien het vorenstaande dient het verzet met toepassing van artikel 21 van Pro de Beroepswet in samenhang met het vijfde lid van artikel 8:55 van Pro de Awb ongegrond te worden verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. G.J.H. Doornewaard en mr. I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van mr. N.E. Nijdam als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2006.
(get.) J. Janssen.
(get.) N.E. Nijdam.