ECLI:NL:CRVB:2006:AV5107
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- G.J.H. Doornewaard
- I.M.J. Hilhorst-Hagen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering WAO-uitkering met in stand laten rechtsgevolgen
Appellant verzocht om een WAO-uitkering die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) werd geweigerd op grond dat hij minder dan 15% arbeidsongeschikt was per 18 maart 2002.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde. De Raad beoordeelde de gebruikte schatting van arbeidsongeschiktheid, uitgevoerd met het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS), en stelde vast dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd omdat niet alle niet-matchende punten waren toegelicht.
Hoewel het besluit werd vernietigd wegens gebrekkige motivering, liet de Raad de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat nadere rapportages in hoger beroep voldoende inzicht boden dat appellant de aan hem voorgehouden functies kon vervullen.
De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten aan appellant en wees het verzoek om nader medisch onderzoek af, omdat de ingebrachte medische stukken geen nieuwe relevante informatie bevatten.
De uitspraak bevestigt dat het CBBS als methode aanvaardbaar is, mits de schatting voldoende wordt toegelicht en gemotiveerd.
Uitkomst: Het besluit tot weigering van de WAO-uitkering wordt vernietigd met in stand laten van de rechtsgevolgen.