ECLI:NL:CRVB:2006:AV5548

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 maart 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/5167 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging besluit WAO-schatting ondanks medische beperkingen appellant

Appellant stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht die het besluit van het UWV tot WAO-schatting handhaafde. De rechtbank oordeelde dat de medische beperkingen van appellant niet waren onderschat en dat de geselecteerde functies niet ongeschikt waren gezien zijn beperkingen.

Tijdens de zitting van de Centrale Raad van Beroep was appellant afwezig, maar het UWV werd vertegenwoordigd. De Raad heeft het dossier en de aangevoerde medische rapporten van de bezwaarverzekeringsartsen bestudeerd.

De Raad concludeerde dat er geen nieuwe medische gegevens waren die aanleiding gaven het eerdere oordeel te wijzigen. Daarom bevestigde de Raad het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen toepassing gegeven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

De uitspraak werd in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2006 door voorzitter Janssen en leden Doornewaard en Brand, met griffier Uri aanwezig.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit dat de medische beperkingen niet zijn onderschat en de geselecteerde functies passend zijn.

Uitspraak

03/5167 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant] , wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 16 september 2003, nr. AWB 2002/1091 WAO.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het hoger beroep is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 27 januari 2006, waar appellant - zoals tevoren was bericht - niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. F. van Dam, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Voor een uiteenzetting van de in dit geding van belang zijnde feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.
In hoger beroep ligt de beantwoording van de vraag voor of bij de aangevallen uitspraak terecht is beslist tot instandlating van gedaagdes besluit van 15 augustus 2002.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank (samengevat) als haar oordeel gegeven dat gedaagde bij het bestreden besluit de medische beperkingen van appellant niet heeft onderschat en dat de geselecteerde functies, gelet op appellants beperkingen, niet ongeschikt zijn.
De Raad verenigt zich geheel met het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Hetgeen van de zijde van appellant in hoger beroep is aangevoerd omtrent zijn gezondheidstoestand, niet gesteund door nieuwe gegevens van medische aard, kan, mede gelet op het door gedaagde in hoger beroep ingezonden rapporten van de bezwaarverzekeringsartsen C.G. van der Kooij en
K. Corten, van respectievelijk 19 januari 2004 en 3 oktober 2005 de Raad niet tot een ander oordeel brengen.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep geen doel treft. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. G.J.H. Doornewaard en mr. J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2006.
(get.) J. Janssen.
(get.) M.H.A. Uri.
Gw