ECLI:NL:CRVB:2006:AV6481
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.L. de Vries
- C.W.J. Schoor
- G.J.H. Doornewaard
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering herziening WAO-uitkering wegens toename arbeidsongeschiktheid
Appellant ontvangt sinds 1988 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%, gebaseerd op medische beperkingen waaronder knieklachten en psychische klachten. In 1999 verzocht appellant om verhoging van zijn uitkering wegens verslechtering van zijn gezondheid.
Het UWV weigerde de herziening op grond van artikel 37, tweede lid, WAO, omdat de toegenomen arbeidsongeschiktheid kennelijk voortkwam uit een andere oorzaak, namelijk alcoholmisbruik, die niet onder de oorspronkelijke uitkering viel. Appellant stelde dat dit onterecht was.
De Raad oordeelde dat er twijfel bestaat over het oorzakelijk verband tussen de oorspronkelijke en de latere arbeidsongeschiktheid en dat het besluit van het UWV onvoldoende medische grondslag heeft. Daarom vernietigt de Raad het besluit en beveelt een nieuw besluit.
Daarnaast is de redelijke termijn van de procedure, die ruim zes jaar duurde, overschreden zonder rechtvaardiging, waardoor appellant recht heeft op een immateriële schadevergoeding van €1.500. Tevens worden proceskosten en griffierechten aan appellant vergoed.
Uitkomst: Het besluit tot weigering herziening WAO-uitkering wordt vernietigd en appellant krijgt een immateriële schadevergoeding van €1.500 toegekend.