ECLI:NL:CRVB:2006:AV6493
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken voorafgaand bezwaar tegen fictieve weigering terugvorderingsbesluit
Gedaagde, een voormalig zelfstandig kapper met een arbeidsongeschiktheidsuitkering, stelde beroep in tegen een vermeende fictieve weigering van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) tot het afgeven van een terugvorderings- en verrekeningsbesluit over de periode van 1 september 1992 tot 1 augustus 1993. De rechtbank had het beroep gegrond verklaard en het Uwv opgedragen binnen vier weken een primair besluit te nemen.
In hoger beroep stelde het Uwv dat er geen verzoek om een besluit was gedaan en dat gedaagde eerst bezwaar had moeten maken tegen het uitblijven van een primair besluit. Gedaagde had wel brieven gestuurd, maar deze waren niet aan te merken als een bezwaarschrift tegen het uitblijven van het primair besluit.
De Raad oordeelde dat het beroep niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat niet was voldaan aan de vereiste van voorafgaand bezwaar tegen het uitblijven van het primair besluit. Het schrijven van 19 november 2002 was wel een verzoek om een besluit, maar het was niet noodzakelijk om dit aan appellant ter behandeling door te sturen omdat het Uwv bereid was het eventueel ten onrechte verrekende bedrag terug te betalen.
De Raad vernietigde daarom het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk, waarmee het geschil over de terugvordering en verrekening niet inhoudelijk werd behandeld.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van voorafgaand bezwaar tegen het uitblijven van het primair besluit.