ECLI:NL:CRVB:2006:AV7576
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- M.C. Bruning
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij intrekking WAO-uitkering
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) om zijn WAO-uitkering met ingang van 22 december 2002 in te trekken. Het bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding zonder verontschuldigbare reden. In het hoger beroep stelde appellant dat het ziektebeeld hem verhinderde tijdig bezwaar te maken. De UWV heropende daarop de bezwaarprocedure en nam het bezwaarschrift alsnog in behandeling.
Gezien deze gang van zaken oordeelde de Raad dat appellant geen belang meer had bij het hoger beroep, waardoor dit niet-ontvankelijk werd verklaard. Tevens werd het UWV veroordeeld tot betaling van de proceskosten van appellant in eerste aanleg en hoger beroep, begroot op €1.288,=. Ook werd het betaalde griffierecht vergoed.
De uitspraak benadrukt het belang van procesbelang bij hoger beroep en de mogelijkheid tot heropening van de bezwaarprocedure bij twijfel over de termijnoverschrijding. Hierdoor werd het hoger beroep niet inhoudelijk behandeld.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang na heropening van de bezwaarprocedure.