ECLI:NL:CRVB:2006:AV8561

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 maart 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05-5724 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 BeroepswetArt. 22 BeroepswetArt. 8:55 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens termijnoverschrijding griffierecht

Opposant had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank, maar dit hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was betaald. Tegen deze beslissing werd verzet aangetekend.

De Raad heeft partijen de gelegenheid gegeven zich te laten horen, maar zij zijn niet verschenen. De Raad bevestigt dat er geen redenen zijn om het verzet gegrond te verklaren, mede omdat opposant geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om bijzondere bijstand aan te vragen voor de griffierechtkosten.

Op grond van artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt het verzet ongegrond verklaard. Er worden geen proceskosten aan opposant opgelegd.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wegens niet tijdige betaling van het griffierecht wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

05/5724 WWB
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van Pro de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[opposant], wonende te [woonplaats], opposant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Valkenswaard, geopposeerde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij uitspraak van de Raad van 17 januari 2006 is het door opposant ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 8 september 2005, reg.nr. 05/338 NABW, niet ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft opposant een verzetschrift ingediend.
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van 21 maart 2006, waar partijen - zoals tevoren bericht - niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
De uitspraak van de Raad van 17 januari 2006 steunt kort samengevat hierop, dat het bij het instellen van het hoger beroep ingevolge artikel 22 van Pro de Beroepswet verschuldigde griffierecht van € 103,-- niet binnen de door de laatstelijk aangetekend verzonden brief van 4 oktober 2005 gestelde termijn van vier weken is betaald en dat op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat opposant niet in verzuim is geweest.
In geding is de vraag of het hoger beroep van opposant terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
De Raad ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan in zijn eerder genoemde uitspraak is gegeven.
In aansluiting op hetgeen in die uitspraak is overwogen, merkt de Raad op dat hij ook in het verzetschrift geen aanknopingspunten heeft gevonden welke kunnen leiden tot de conclusie dat opposant het verzuim niet kan worden tegengeworpen.
Daarbij tekent de Raad aan dat niet is gebleken dat opposant van de mogelijkheid tot het aanvragen van bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht van het onderhavige hoger beroep gebruik heeft gemaakt.
Gelet op het vorenstaande bestaat er aanleiding het verzet met toepassing van artikel 8:55, vijfde lid, aanhef en onder b, van de Awb ongegrond te verklaren.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van mr. P.E. Broekman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2006.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) P.E. Broekman.