ECLI:NL:CRVB:2006:AV8690

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 maart 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05-24 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 41 WWBArt. 44 WWBArt. 67 AbwArt. 63a AbwArt. 68a Abw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen terugwerkende kracht bij vaststelling ingangsdatum bijstandsuitkering

Appellant vroeg bijstand aan bij de gemeente Wageningen en gaf op het aanvraagformulier aan dat de uitkering moest ingaan op de datum van melding bij de CWI, 27 februari 2004. De gemeente kende de uitkering toe vanaf die datum, maar appellant verzocht om terugwerkende kracht vanaf 28 januari 2004 vanwege een eerdere verhuizing en stopzetting van de uitkering door de gemeente ’s-Gravenhage.

De Raad beoordeelde dat volgens de Wet werk en bijstand (WWB) de uitkering ingaat op de dag van melding bij de CWI, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn die terugwerkende kracht rechtvaardigen. Appellant kon zich niet eerder melden en had zelf aangegeven dat de uitkering moest ingaan op de meldingsdatum. Ook het feit dat de vorige gemeente de uitkering stopzette wegens onduidelijkheid over verblijfplaats, vormt geen bijzondere omstandigheid.

De Raad concludeerde dat de gemeente Wageningen de ingangsdatum terecht op 27 februari 2004 heeft gesteld en dat de eerdere stopzetting door de gemeente ’s-Gravenhage geen grond biedt voor terugwerkende kracht. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en de proceskosten werden niet toegewezen.

Uitkomst: De ingangsdatum van de bijstandsuitkering wordt bevestigd op 27 februari 2004 zonder terugwerkende kracht.

Uitspraak

05/24 WWB
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Wageningen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 9 december 2004, reg.nr. 04/1622.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken aan de Raad gezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 7 februari 2006, waar appellant niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door drs. A.M.J. Borgart, mr. M.M.A. Rijnders en mr. H.J. Hoogland, allen werkzaam bij de gemeente Wageningen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellant heeft zich op 27 februari 2004 gemeld bij de Centrale organisatie werk en inkomen (hierna: de CWI) met het verzoek om bijstand van de gemeente Wageningen. Op het formulier “Aanvraag en inlichtingen WWB” heeft appellant vraag 1.4. luidende: “Wilt u de uitkering in laten gaan op een andere datum dan uw eerste melding CWI ?” ontkennend beantwoord.
Bij besluit van 24 maart 2004 heeft gedaagde appellant met ingang van 27 februari 2004 een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) toegekend.
Appellant heeft tegen de in het besluit van 24 maart 2004 vastgestelde ingangsdatum bezwaar gemaakt en gedaagde verzocht hem met ingang van 28 januari 2004 bijstand toe te kennen. Daarbij heeft appellant aangegeven dat hij is verhuisd van ’s-Gravenhage naar Wageningen en dat de gemeente ’s-Gravenhage zijn bijstandsuitkering over februari 2004 niet meer heeft uitbetaald
Bij besluit van 13 mei 2004 heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit van 24 maart 2004 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 13 mei 2004 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
In artikel 41, eerste lid, van de WWB is de hoofdregel opgenomen dat een aanvraag om algemene bijstand bij de CWI wordt ingediend en dat deze na overdracht verder door het college van burgemeester en wethouders wordt behandeld. In de drie volgende leden van het artikel zijn voorts uitzonderingen op de hoofdregel (tweede lid) en afwijkingsmogelijkheden (derde en vierde lid) vermeld.
In artikel 44, eerste lid, van de WWB is geregeld dat de bijstand wordt toegekend vanaf de dag van melding, tenzij op die dag nog geen recht op bijstand bestaat. Het tweede lid bepaalt voorts wanneer van een melding bij de CWI of bij burgemeester en wethouders kan worden gesproken, terwijl het derde lid de mogelijkheid biedt om bij verwijtbaar latere indiening van de aanvraag de aanvraagdatum als ingangsdatum te nemen om te voorkomen dat er teveel tijd verstrijkt tussen de melding en de aanvraag.
Naar vaste rechtspraak van de Raad inzake de toepassing van de artikelen 67, 63a en 68a van de Algemene bijstandswet (Abw) wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de melding bij de CWI heeft plaatsgevonden, dan wel in voorkomende gevallen de bijstandsaanvraag is ingediend (onder meer CRvB
8 maart 2005, LJN AT0209). Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.
Nu de artikelen 41, 43, en 44 van de WWB in essentie niet anders luiden dan de artikelen 67, 63a en 68a van de Abw, en niet is gebleken dat de wetgever heeft beoogd ter zake een andere regeling te treffen, is de Raad van oordeel dat de rechtspraak inzake de toepassing van de artikelen 67, 63a en 68a van de Abw haar gelding blijft behouden onder de WWB.
Het geschil spitst zich toe op de vraag of gedaagde in de door appellant aangevoerde omstandigheden aanleiding had moeten vinden hem met ingang van 28 januari 2004 - en derhalve met terugwerkende kracht - bijstand toe te kennen.
Naar het oordeel van de Raad dient deze vraag ontkennend te worden beantwoord. Appellant heeft ter zitting van de rechtbank aangegeven dat hij eind januari 2004 van ’s-Gravenhage naar Wageningen is verhuisd. Het is de Raad niet gebleken dat appellant zich niet eerder dan op 27 februari 2004 bij de CWI had kunnen melden. Dat er wellicht eerder informatief contact tussen appellant en ambtenaren van de gemeente Wageningen is geweest doet hieraan niet af. Overigens heeft appellant op zijn aanvraagformulier uitdrukkelijk aangegeven dat hij bijstand aanvraagt met ingang van de datum waarop hij zich bij de CWI heeft gemeld. Ook het enkele feit dat de gemeente ’s-Gravenhage - wegens onduidelijkheid omtrent de verblijfplaats van appellant - aanleiding heeft gezien het recht op bijstand van appellant met ingang van 1 februari 2004 te beëindigen, heeft niet tot gevolg dat gedaagde bijzondere omstandigheden dient aan te nemen.
Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat gedaagde de ingangsdatum op goede gronden op 27 februari 2004 heeft gesteld.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
Gelet op het voorgaande kan van de door appellant verzochte veroordeling van gedaagde tot schadevergoeding geen sprake zijn.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Wijst het verzoek om een veroordeling tot schadevergoeding af.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. A.B.J. van der Ham en mr. H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.H. Polderman-Eelderink als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2006.
(get) Th.C. van Sloten.
(get) A.H. Polderman-Eelderink.