ECLI:NL:CRVB:2006:AV8803
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H.G. Rottier
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bewijslast omtrent arbeidsverleden bij herleving recht op WW-uitkering
Appellante diende op 1 september 2003 een verkorte aanvraag in voor herleving van haar eerder toegekende WW-uitkering. Gedaagde stelde aanvankelijk dat appellante geen recht had op herleving wegens onbeschikbaarheid, maar wijzigde dit later en kende een herleefde uitkering toe tot 23 november 2003. Appellante betwistte de vastgestelde einddatum en stelde dat zij op grond van haar arbeidsverleden recht had op een verlengde en vervolguitkering.
De rechtbank oordeelde dat de bewijslast omtrent het arbeidsverleden bij appellante ligt, maar dat het bestuursorgaan haar wel moet begeleiden in de bewijsgaring. Appellante slaagde er niet in aan te tonen dat de einddatum onjuist was. In hoger beroep stelde appellante dat zij voldeed aan de '3-uit-5' eis voor een verlengde uitkering.
De Raad constateerde dat het dossier van appellante door gedaagde was vernietigd, waardoor relevante gegevens verloren gingen. De Raad oordeelde dat gedaagde hierdoor in strijd met de Awb handelde door de bewijslast volledig bij appellante te leggen. De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en bepaalde dat gedaagde opnieuw moet beslissen, waarbij de bewijslast omtrent het arbeidsverleden bij gedaagde ligt. Tevens werd gedaagde veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het bestreden besluit en de uitspraak worden vernietigd en het bestuursorgaan moet opnieuw beslissen waarbij de bewijslast omtrent het arbeidsverleden bij het bestuursorgaan ligt.