ECLI:NL:CRVB:2006:AV8864
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- J.W. Schuttel
- R.C. Stam
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WAO-uitkering na beoordeling fibromyalgie en arbeidsongeschiktheid
Appellante, die wegens fibromyalgie arbeidsongeschikt is, had bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van haar WAO-uitkering. Zij stelde dat haar klachten waren verergerd en dat dit onvoldoende was meegenomen in de beoordeling. De primaire verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts bevestigden echter het oorspronkelijke oordeel, en de Raad hechtte doorslaggevende waarde aan hun rapportages.
Appellante bracht geen nieuwe medische feiten aan die een wijziging van het belastbaarheidspatroon rechtvaardigden. Een in hoger beroep overgelegd CIA-rapport werd door de Raad niet als medisch onderbouwd beschouwd in de zin van artikel 18 WAO Pro. De Raad concludeerde dat de beperkingen waarop de WAO-uitkering is gebaseerd voldoende gemotiveerd en onderbouwd zijn.
Ook de arbeidskundige beoordeling van de aangepaste werkzaamheden van appellante, die zij na haar zwangerschapsverlof hervatte, werd als passend en adequaat beoordeeld. De Raad vond dat de schatting van de feitelijke verdiensten correct was toegepast, waarbij appellante feitelijk 50% van haar oorspronkelijke werktijd werkte, wat overeenkomt met de vastgestelde arbeidsongeschiktheidsklasse.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het bezwaar ongegrond. Er was geen reden om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De WAO-uitkering blijft ongewijzigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WAO-uitkering terecht is vastgesteld op een arbeidsongeschiktheidsklasse van 45-55%.