ECLI:NL:CRVB:2006:AV8864

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 maart 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/6512 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 WAOArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging WAO-uitkering na beoordeling fibromyalgie en arbeidsongeschiktheid

Appellante, die wegens fibromyalgie arbeidsongeschikt is, had bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van haar WAO-uitkering. Zij stelde dat haar klachten waren verergerd en dat dit onvoldoende was meegenomen in de beoordeling. De primaire verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts bevestigden echter het oorspronkelijke oordeel, en de Raad hechtte doorslaggevende waarde aan hun rapportages.

Appellante bracht geen nieuwe medische feiten aan die een wijziging van het belastbaarheidspatroon rechtvaardigden. Een in hoger beroep overgelegd CIA-rapport werd door de Raad niet als medisch onderbouwd beschouwd in de zin van artikel 18 WAO Pro. De Raad concludeerde dat de beperkingen waarop de WAO-uitkering is gebaseerd voldoende gemotiveerd en onderbouwd zijn.

Ook de arbeidskundige beoordeling van de aangepaste werkzaamheden van appellante, die zij na haar zwangerschapsverlof hervatte, werd als passend en adequaat beoordeeld. De Raad vond dat de schatting van de feitelijke verdiensten correct was toegepast, waarbij appellante feitelijk 50% van haar oorspronkelijke werktijd werkte, wat overeenkomt met de vastgestelde arbeidsongeschiktheidsklasse.

De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het bezwaar ongegrond. Er was geen reden om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De WAO-uitkering blijft ongewijzigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WAO-uitkering terecht is vastgesteld op een arbeidsongeschiktheidsklasse van 45-55%.

Uitspraak

03/6512 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft P.M. Sjerps, werkzaam bij LTB adviseurs en accountants, op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Alkmaar op 17 november 2003 tussen partijen gegeven uitspraak (reg. nr. WAO 03/11), waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Op 13 april 2004 is namens appellante een rapportage (met bijlagen) ingezonden. Gedaagde heeft in reactie hierop een nader commentaar van de bezwaarverzekeringsarts A.M.M. Moons ingezonden, waarop namens appellante middels een commentaar van drs. C.P. Kesselaar is gereageerd.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 10 februari 2006, waar namens appellante haar partner, [partner], is verschenen, en waar namens gedaagde is verschenen mr. C. Vork, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Appellante, die laatstelijk werkzaam was als bestuifster voor 32 uur per week, is op
27 mei 1999 uitgevallen wegens klachten van fibromyalgie. Appellante heeft vervolgens bij haar eigen werkgever het werk hervat in 50% aangepaste werkzaamheden. Per einde wachttijd heeft op basis van deze verdiensten een beoordeling in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) plaatsgevonden, waarna appellante met ingang van 25 mei 2000 een WAO-uitkering is toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55%.
Nadat appellante op 15 augustus 2001 is bevallen, heeft zij zich op 28 januari 2002 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld wegens hoofdpijn-, nek- en schouderklachten, duizeligheid, moeheid en evenwichtsstoornissen.
Verzekeringsarts M.C. Groenewoud, die appellante eerder in het kader van de einde wachttijdbeoordeling heeft onderzocht, concludeert dat geen aanspraken op uitkering ingevolge de wet Amber bestaan, omdat deze verslechtering slechts 2 à 3 weken heeft voortgeduurd. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige P. Pols Paardekoper onderzoek gedaan naar appellantes aangepaste werkzaamheden en heeft na overleg met de verzekeringsarts geconcludeerd dat deze werkzaamheden voldoende afwisseling in taken en belasting hebben en passen binnen de beperkingen van het belastbaarheidspatroon welke bij de einde wachttijdbeoordeling was opgesteld. Bij besluit van 9 juli 2002 heeft gedaagde een onveranderde arbeidsongeschiktheidsklasse van 45-55% vastgesteld.
In bezwaar is namens appellante aangevoerd dat de klachten van fibromyalgie zijn verergerd en dat de huisarts het medicijngebruik heeft aangepast. Bezwaarverzekeringsarts C.T.M. Linthorst heeft het oordeel van de primaire verzekeringsarts bevestigd, waarna stafverzekeringsarts J.J. Slagter in de namens appellante overgelegde brief van de huisarts geen nieuwe medische feiten heeft gezien om het belastbaarheidspatroon te wijzigen. Bij besluit van 22 november 2002, hierna: het bestreden besluit, is het bezwaar ongegrond verklaard.
Namens appellante zijn in beroep haar bezwaren herhaald. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
De Raad overweegt als volgt.
Voor wat betreft het medische gedeelte kent de Raad evenals de rechtbank doorslaggevende betekenis toe aan de rapportages van de (bezwaar)verzekeringsartsen. Naar het oordeel van de Raad is het geneeskundig onderzoek zorgvuldig en weloverwogen geweest, is uit de overgelegde informatie van de huisarts niet gebleken van toegenomen arbeidsongeschiktheid en is in het belastbaarheidspatroon in voldoende mate rekening gehouden met de klachten van fibromyalgie. Door appellante is geen andere medische informatie in geding gebracht ter ondersteuning van haar standpunt, dat de klachten van fibromyalgie zijn verergerd. Wel is in hoger beroep een rapport “Contra expertise en Inspanningsonderzoek naar Arbeidsbelastbaarheid (CIA)” overgelegd, maar onder verwijzing naar een uitspraak van 12 augustus 2005, LJN: AU1484, waarin de Raad geoordeeld heeft over de uitkomsten van een onderzoek naar de functionele beperkingen in een CIA-rapport, valt aan dit onderzoek niet te ontlenen dat daaraan medische gronden ten grondslag liggen als bedoeld in de toetsingsmaatstaf van artikel 18 van Pro de WAO. Dat bij dit onderzoek mede gebruik is gemaakt van de uitkomsten van een medisch hulponderzoek (ECG, longfunctie- en bloedonderzoek) doet daaraan niet af. Gezien het vorenstaande is de Raad van oordeel dat niet is kunnen blijken van objectief-medisch aanknopingspunten om ervan uit te gaan dat de voor appellante aangenomen beperkingen niet berusten op een voldoende draagkrachtige motivering.
Wat betreft de arbeidskundige kant van de schatting, stelt de Raad vast dat arbeidsdeskundige Pols Paardekoper in aansluiting op het geneeskundig onderzoek door de verzekeringsarts, onderzoek heeft gedaan naar de aangepaste werkzaamheden van appellante. Deze kunnen worden omschreven als meewerkende voorvrouw met afwisselende werkzaamheden, waarin zij nog steeds passende deeltaken van het oorspronkelijk werk verricht maar tevens belast is met de administratie, begeleiding van nieuwe medewerkers en coördinatie. Blijkens de geneeskundige rapportage van
10 januari 2002 heeft appellante na haar zwangerschapsverlof, per 1 december 2001, deze aangepaste werkzaamheden hervat voor vier ochtenden per week waarvan de donderdag-ochtend als vrije dag werd opgenomen. Naar het oordeel van de Raad, heeft gedaagde geen blijk gegeven van een onjuiste toepassing van een schatting op feitelijke verdiensten. Nu appellantes maatmanuren voor haar functie van bestuifster 32 uur per week bedroegen en appellante feitelijk vier halve dagen van vier uur = 16 uur werkzaam was, kan gesteld worden dat appellante met deze werkzaamheden de helft van het voorheen gebruikelijke loon verdiende en dus voor 50% arbeidsongeschikt is gebleven, waarmee indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 45-55% terecht is vastgesteld.
Uit het vorenstaande volgt, dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. D.J. van der Vos als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Mulder als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2006.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) J.P. Mulder.
JK/2736