ECLI:NL:CRVB:2006:AW1840
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- K. Zeilemaker
- K.J. Kraan
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing salariscompensatie wegens indirecte discriminatie in onderwijs
Appellante, werkzaam in het onderwijs, verzocht om salariscompensatie op grond van een vermeende indirecte discriminatie door het niet toepassen van de garantie vóór-HOS-sers. Deze garantie bood oudere leerkrachten uitzicht op een hoger salaris na herziening van de salarissystematiek in 1985. De Commissie gelijke behandeling had geoordeeld dat appellante onterecht lager werd beloond dan vóór-HOS-sers, maar dit oordeel werd door het bestuursorgaan niet als nieuw feit beschouwd dat eerdere, rechtens onaantastbare besluiten kon wijzigen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het bestuursorgaan terecht het verzoek tot herziening van de inschaling afwees op grond van artikel 4:6 Awb Pro, omdat geen nieuwe feiten waren aangevoerd. Tevens werd overwogen dat appellante, zelfs indien de garantie vóór-HOS-sers op haar van toepassing zou zijn, geen hoger salaris had kunnen bereiken dan het maximum van schaal 10 dat zij in 2001 had.
De Raad maakte een onderscheid tussen aanspraken in het verleden en duuraanspraken voor de toekomst en concludeerde dat ook voor de toekomst het besluit standhoudt. Het beroep werd ongegrond verklaard, en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak bevestigt dat eerdere salarisbesluiten niet zonder meer kunnen worden herzien op basis van oordelen van de Commissie gelijke behandeling, tenzij sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van salariscompensatie wordt bevestigd.