ECLI:NL:CRVB:2006:AW1886
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.C.F. Talman
- J.Th. Wolleswinkel
- K. Zeilemaker
- Rechtspraak.nl
Beëindiging tegemoetkoming ziektekosten voor echtgenote wegens dienstverband
Appellant ontving op grond van de Ziektekostenregeling Nederlandse Universiteiten (ZNU) een tegemoetkoming voor zichzelf en zijn echtgenote. Deze tegemoetkoming voor de echtgenote werd per 1 september 2001 beëindigd omdat zij een half-time dienstverband is aangegaan en daardoor recht heeft op een eigen tegemoetkoming naar rato van haar dienstverband.
Appellant verzocht om compensatie voor het financiële nadeel dat hij hierdoor ondervindt, maar dit verzoek werd door het College van Bestuur van de Erasmus Universiteit Rotterdam afgewezen. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de regeling correct was toegepast en dat appellant niet buiten verhouding werd getroffen.
In hoger beroep betoogde appellant dat de toepassing van de ZNU onrechtvaardig was en dat hij recht had op een gedeeltelijke compensatie. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de regeling geen ruimte biedt voor een dergelijke compensatie en dat de keuze van de regelgever om het voordeel van een volledige tegemoetkoming te laten vervallen bij het aangaan van een dienstverband niet onredelijk is.
De Raad stelde vast dat appellant voldoende informatie had kunnen verkrijgen over de wijziging in zijn situatie en dat geen sprake was van een schending van de informatieplicht door gedaagde. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen vergoeding van proceskosten toegekend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de beëindiging van de tegemoetkoming voor de echtgenote rechtmatig is en wijst het beroep van appellant af.